Bakker, J

Home
A. Reportage
B. Planning
C. Historie
D. Verhalen
E. Reunie
F. Administratief

 

Jake Bakker, een deelnemer die in Amerika woont en deel zal nemen in de heruitvoerings wandeling van Rotterdam naar Zwolle schrijft:

Ik ben in October 1931 in Utrecht geboren en groeide op in een familie met zes kinderen.  Ik was net 13 jaar oud toen de echte hongerwinter begon en het er kwalijk met de voedselvoorziening begon uit te zien.  Mijn oudere broers waren 18 en 22 jaar en mijn  oudste zuster was 19.  De oudere broers konden zich niet meer vrij op straat begeven zonder de kans te lopen door Duitse soldaten opgepakt te worden voor een af andere taak, zoals het ontladen van vrachtwagens in de stad of misschien wel voor langdurige andere karweien. 

De jongste kinderen, een broertje van 7 en een zusje van 4, waren nog te jong en zich niet bewust van de hachelijke situatie.  Het enige waar we allen van wisten was honger en kou.  Wij hadden maar een kachel in ons huis en in de jaren voor de hongerwinter stond hij op winteravonden roodgloeiend te branden op steen- of eierkolen. In de herfst en winter van 1944/1945 was er geen brandstof meer en af en toe werd de kachel  opgestookt met stukken hout. Maar de hoofdbron van hitte voor verwarming of koken was een klein plaatijzeren vuurduiveltje dat minder hout gebruikte. Tegen de kou hadden we vaak onze winterjassen aan in  huis. 

Ons hele leven draaide om eten en hoe je er aan zou kunnen komen.  Als onze moeder onze borden “vulde” dan keken we allen nauwkeurig toe of het ene kind geen grotere portie kreeg dan het andere.  Alle kinderen hadden een goedmoedige scheldnaam. Soms werd een broertje of zusje kwaad en vroeg waarom die  “hond” (mijn oudste broer) een veel grotere aardappel kreeg dan hij  (het “schaap”) of zij (de “leeuw”).  Onze vader kreeg altijd de eerste en grootste porties van alles. Mijn oudere broers zeiden heimelijks dat mijn vader een egoist was en dat zij hem er ook van verdachten bovendien nog buitenshuis “achter de hand te vreten”.  Ja, we hadden altijd honger en eten was eigenlijk het enige onderwerp waarover gesproken werd.  We vertelden elkaar daarom ook altijd van onze plannen wat we na de oorlog met ons geld zouden doen.  Zo veel  pannekoeken eten als je maar wilde, tot dat je barste. Grote pannekoeken met spek.

Omdat ik van de “juiste” leeftijd was werd het dus in de herfst van 1944 mijn taak om er voor te zorgen het kleine beetje voedsel dat we soms nog met onze bonnen konden krijgen zo veel mogelijk aan te vullen met extra eten.  Nou, ik vond dat best. Ik was altijd al een vrij handig jochie geweest dat al sinds het begin van de bezetting altijd bezig was geweest in de voedselvoorziening.  Mijn eerste “handel” was met de “vijand”.   De gewapende vijand kwam ongeveer 14 of 15 Mei Utrecht binnen.  Van te voren waren overal plakaten aangeplakt waarop stond dat de Duitsers onze vrienden waren en dat we maar gewoon moesten blijven werken of naar school gaan. 

Nu, de vijand die Utrecht “binnenviel” bestond uit oudere Duitse soldaten in huifkarren en officieren op prachtige Arabische paarden.  Ze gingen rusten bij ons tegenover op de Vleutenseweg.  Als nieuwsgierige 8 jaar oude jongen ging ik dat maar eens bekijken. De Duitse soldaten hadden Nederlands geld en zeiden dat ze chocolade wilde hebben. Ze gaven mij een paar guldens en ik ging direct naar de hoekwinkel en kocht daar wat repen “Tjoklat” of “Rademaker” chocolade voor de soldaten. Het wisselgeld behield ik als “winst.”  Na de aflevering van de eerste bestelling kwamen er ook andere soldaten die chocolade wilde hebben. Nou, ik leverde snel en zo maakte ik mijn eerste winst.

Vanaf mijn tiende jaar ging ik ook al regelmatig op mijn ouwe fiets ‘de boer op” om groenten, vruchten en aardappelen te kopen.  Ik kocht dan niet alleen voor onze eigen familie maar ook voor de onze buren.  Zo verdiende ik dan een paar guldens wat mijn kapitaal werd voor mijn volgende fietstocht naar het platteland. Het “platte land” begon zo’n kilometer van ons huis zodra je de grote brug over het Merwede kanaal by de Douwe Egberts koffiebranderij over was.

Die brug was een strategisch punt in mijn leven. In 1944 en 1945 kwamen  Engelsen vliegtuigen  bijna  elke dag over om te proberen die brug te bombarderen. Voordat je die brug overreed tuurde je daarom altijd naar de hemel om te zien of er vliegtuigen in de nabije lucht waren.  Als je vond dat het veilig was dan ging je zo snel mogelijk over de brug.  Een keer was ik midden op de brug toen het luchtalarm begon te loeien. Ik gooide mijn fiets neer en dook een berm af.  De Engelsen gooiden een paar bommen naar die brug, maar gelukkig raakten ze hun doel niet en de bommen explodeerden  tussen de bermen van de spoorwegbrug en de autobrug.  Ik was gelukkig aan de andere kant van de weg de berm afgedoken.

In de eerste jaren van de bezetting stond er ook op die brug vaak zo’n Nederlandse “verraaier,” een Nederlandse NSB’er als landwachter, volkswacht of “groene kikker” met een jachtgeweer op zijn rug.   Als je dan de brug over wilde, terug van je koopreis in Vleuten of Kockengen, dan stopte zo’n kerel je op de brug, doorzocht je tassen, en zei dat wat ik deed tegen het volksbelang en de wet was, en als hij mij de volgende keer zou betrappen hij alles, inclusief mijn fiets, in beslag zou nemen.

Die tochtjes naar het nabije platteland ten westen van de stad Utrecht eindigden in de herfst  van 1944. Het hart van die boeren en tuinders daar was nu verhard door het groot aantal hongerige mensen dat dagelijks aanklopte om naar eten te vragen.  Die boeren en tuinders verkochten niets meer voor geld, maar hadden een ruilhandel opgezet waar zij aardappels of groenten gaven tegen inruil van dingen van waarde, zoals mooie nieuwe lakens, waardevolle klokjes, horloges en trouwringen enz.  Sommige mensen zeiden dat die boeren daar steenrijk geworden waren.

De Rogge Hongertochten naar Holten, Overijssel.

Met het begin van de herfst  van 1944 begon het dus echt moeilijk te worden en toen maakte ik dan ook mijn eerste “hongertocht” op de fiets naar Overijssel.  Ik heb vijf hongertochten gemaakt. Drie op de fiets van Utrecht via Deventer naar Holten, Overijssel om rogge, bonen en erwten te halen en twee tochten met een handkar van Utrecht via Zwolle naar Balkbrug of Hardenberg, Overijssel and om zandaardappels te halen. Het doel van mijn eerste tocht was dus rogge te gaan halen zodat wij thuis roggebrood zouden kunnen maken. Ik zeg “maken” want bakken konden wij thuis niet omdat wij  geen fornuis met oven hadden.  Wij hadden een gewoon gascomfoor met twee pitten, maar omdat er geen gas meer was kookte mijn moeder op een vuurduiveltje.  De rogge werd in de koffiemolen gemalen en dan in een doek in water gekookt op het vuurduiveltje tot een soort broodje. Maar we aten ook vaak gewoon roggemeel gekookt in water.

Ik ging op mijn eerste hongertocht gekleed in een opgelapte broek, een plusfour- een pofbroek die wij altijd een “drollebroek” noemden-, een oud jack of jasje, op klompen en op mijn hoofd een “motorkapje” met oorkleppen.  Met dat motorkapje zag ik er erg uitgehongerd uit.  Ik had ook een door mijn moeder gebreide wollen borstrok onder mijn hemd aan.  De buitenbanden van mijn fiets waren glad en versleten en gaten in de buitenbanden waren “gerepareerd” door stukken van een andere buitenband onder de buitenband te stoppen. De binnenbanden waren al tientallen malen gelapt en nieuwe lekken in de binneband waren moeilijk te repareren. Alhoewel wij thuis niet kerkelijk waren, “bad” ik regelmatig als ik op op mijn fiets reed. Zoiets als “O God, laat mijn band niet leeglopen of mijn velg of spaken niet kapot gaan.”  Ik beloofde God ook altijd een hoop goede daden als er niets met mij of mijn fiets zou gebeuren. Want als je een lekke band zou krijgen dan was misschien de enige oplossing de buitenband en binnenband van het wiel te nemen en op de velg door te rijden. En dan zou je niet ver komen.  

De fietsreis ging over Zeist, Amersfoort, Apeldoorn, en dan bij Deventer de Ijssel over. Die brug over de Ijssel werd bewaakt en was afgesloten door Duitse soldaten, en niet-militair verkeer zonder een “Ausweis” mocht die brug niet gebruiken.  Net als alle bruggen over grote kanalen of rivieren kon die brug met een druk op een knop in de lucht geblazen worden. De meeste mensen hadden geen “Ausweis” en moesten dus met een roeiboot of pontje de Ijssel overgezet worden.  Maar ik duwde mijn ouwe fietsje de hellende weg naar de brug op en toen ik bij de wachtpost aankwam vroeg ik in een soort Duits dat ik dan in mijn hoofd opmaakte of ik de brug over mocht. De Duitse soldaat riep dan iets naar zijn wachtcommandant, dat ik een kind was en dan mocht ik de brug over.  Van Deventer ging het dan naar Holten waar de Holterberg is.

In de buurt van Holten klopte ik bij elke boerderij aan en vroeg of ze mij wat rogge, erwten of bonen wilden verkopen. De meeste boeren verkochten of gaven mij een kilo rogge. De rogge ging of de fietszakken of een jute zak in. Als het avond werd dan klopte ik bij een boerderij aan en vroeg of ik in het hooi boven de koeien mog slapen. Nou dat mocht altijd.  En de boerin nodigde je altijd uit om met hen aan tafel te gaan en eens lekker veel te eten.  Nou een keer ging het niet zo goed. Ik was uitgenodigd om met de boerenfamilie en knechten aan tafel te gaan. 

Er werd een stamppot geserveerd op een hele grote diepe schaal.  Ieder kreeg een vork maar geen bord. En ieder begon gewoon uit die schaal te eten.  Alhoewel ik grote honger had vond ik het maar vies om een vork die al in iemands mond was geweest weer in de gemeenschappelijke pot te steken. Ik ging dus met een soort walging eten.  Ik at daarom snel en zo veel mogelijk van mijn kant van de schaal. Voordat de andere eters met hun vorken naar het midden van de schaal moesten reiken om de laatste etensresten van de schaal te schrappen hield ik op met eten en veinsde dat ik al vol was.

Slapen bij de boeren in Holten was ook altijd een avontuur.   Eerst werd je altijd wakker gemaakt door de koeien die nooit stil stonden, met de ketting aan hun staart lawaai maakten, soms loeiden, vaak en luid waterden of grote vlaaien excrement op de cementen vloer lieten ploffen.  Een ander geluid waar je altijd van wakker werd waren de V-1’s die de Duitsers van de Holterberg naar Londen afschoten. Je luisterde dan altijd of die V-1 motor niet afsloeg want dan kwam hij naar beneden.  Het was altijd een opluchting als je hoorde dat de V-1 motor bleef brommen en met succes op weg was naar Engeland.

Een goed percentage van die V-1s moet wel gemalfunctioneerd hebben want overal langs de boerenwegen rond Holten zag je afgestorte V-1s liggen.  Nou die boerenwegen waren in die tijd gewone zandwegen die overal diepe sporen of geulen hadden van de paardewagens. Het was vaak niet makkelijk om je fiets met volle fietszakken en volle jute zakken met rogge op het stuur en de bagagedrager door de diepe sporen te manoeuvreren. Op die weggetjes heb ik dan ook veel gebedjes gepreveld en beloften aan God gedaan.

Op een van mijn hongertochten naar Holten was mijn fiets volgeladen met rogge, bonen, erwten en andere etenswaren en ik besloot nu weer terug te gaan naar Utrecht. Ik kwam van een boerenweg op een hoofdstraat die geasfalteerd was en een goed fietspad had.  Ik wist dat het niet dezelfde hoofdweg was waarlangs ik van Deventer naar Holten was gereden.  Maar een paddestoel op het  fietspad langs deze weg gaf ook de richting Deventer aan.  Dus ik dacht, nou ik heb weer geboft en ga direct van hier naar Deventer.  Die weg ging door vrij grote bossen en na zo’n tien kilometer kon ik niet meer verder want de weg afgesloten door een grote boom die dwars over de weg lag. Ik begon bijna te janken. Moet ik nou helemaal weer terug naar Holten en die andere hoofdweg  naar Deventer zoeken?  Nou daar voelde ik niets voor.

Ik ging daarom van het fietspad af  en iets het bos in en kon mijn fiets nog net langs de kruin van die grote boom duwen en weer aan de andere kant van die boom op het fietspad komen.  Maar er lagen iets verder nog meer bomen dwars over de weg. Ik moest dus van de grote weg af en weer zo’n boerenzandweg op.  Hier kwam ik langs wat boerderijen die in die bossen lagen en ik hoopde dat ik de hoofdweg weer terug zou kunnen vinden.  Plotseling kwam er een Duitse soldaat uit een zijwegje op mij af. Voordat hij mij iets vroeg, riep hij al luid naar iemand die iets verder tussen de bomen stond “Es ist nur ein Kind.”  Hij vertelde mij zo iets als dat ik me snel uit de voeten zou moeten maken en hij wees me de richting waar ik naar toe moest. Ik kwam weer op de hoofdweg terecht en er lagen gelukkig geen bomen meer dwars over de weg. Langzaam drong het tot mij door dat ik op een plaats was gestoten vanwaar de Duitsers hun V-1 raketten afschoten.  Met kinderlijke gedachten vroeg ik mij af hoeveel Joden daar in dat bos waar die Duitser mij aanhield gevangen zaten, want ik had altijd gehoord dat de Duitsers Joden gebruikten om raketten te lanceren omdat dat doodsgevaarlijk werk was.  Gelukkig was dat niet waar.

Nu was de weg naar Deventer open voor mij en de enige angstige vraag die ik nog had was of ik die brug over de Ijssel zonder moeilijkheden over zou kunnen komen.  Alles ging gelukkig goed en ik kwam zonder enige moeilijkheid de brug over.  Nu maar hopen dat er geen problemen met de fiets zouden komen.  In Apeldoorn zag ik dat een stelletje Hollandse mannen en vrouwen een Duitse militaire vrachtwagen opkropen om naar Amersfoorts of Utrecht mee te rijden.  Alhoewel ik niet wist of ik ook zou mogen meerijden vond ik dat het te veel rompslomp zou zijn om mijn zwaar beladen fiets op die vrachtwagen te krijgen. Ik fietste dus maar rustig door. Later besefte ik mij dat ik een wijze beslissing getroffen had om niet op die militaire vrachtwagen te kruipen want zij werden vaak in vlammen geschoten door geallieerde vliegtuigen.

‘s Avonds was ik weer terug in Utrecht met mijn lading eten. Ik trok thuis aan de bel en mijn oudste zuster trok van boven aan de trap aan het touw om de deur te openen en schreeuwde “Co is thuis”. De volgeladen fiets werd gauw naar binnen geduwd voordat nieuwsgierige buren mijn volgeladen fiets zouden kunnen zien.  En dan werd de lading uitgepakt en alle familieleden stonden er van verbaasd hoeveel je op zo’n fiets kon laden. Ik had ook nog een paar kleine verrassingen, zoals een paar pakjes echte boerenboter en een groot roggebrood.

De Aardappelen  Hongertochten naar
Hardenberg, Overijssel.

In de zomer van 1944 hadden we overal waar we konden aardappels gekocht voor de komende winter.  De meeste aardappelen kochten we in Vianen waar heerlijke klei aardappelen verbouwd werden. Mijn vader had een special aardappelenhok gemaakt in een kleine zijkamer van ons huis.  In het najaar van 1944 werden aardappelen en gekookt roggebrood ons hoofdvoedsel. Mijn moeder kookte iedere dag een enorme pan aardappelen. Wij aten zo veel aardappelen dat het al gauw duidelijk werd dat onze gehamsterde voorraad niet voldoende was om onze familie tot het volgende voorjaar te voeden. 

En nu dat ik daaraan terug denk vind ik het vreemd dat ondanks de voedselschaarste mijn moeder, en de meeste Nederlanders, de aardappelen schilden in plaats van ze in de schil te koken.  Dus zo’n 5 procent van de aardappels kwam dus direct in de schillebak terecht. Nu, in de stad Utrecht en omgeving waren er geen aardappelen meer te koop. We wisten van andere mensen dat er in Overijssel nog aardappels te koop waren.  Overijsselse zandaardappelen zouden wel niet zo lekker smaken als de kleiaardappelen waaraan wij gewend en mee verwend waren.  Maar de dreiging van de honger leidde tot de beslissing om met een handwagen naar Overijssel te gaan om aardappelen te kopen. Van een bekende konden we een pianowagen lenen.  Nou daar ging wel zo’n mud of tien aardappels in.  Mijn vader en ik zouden op deze tocht gaan.

Nu eerst eens iets over mijn vader.  Alhoewel hij pas 46 jaar oud was toen we die tocht ondernamen zag hij er al uit als een oude man. Hij had grijze haren en een hele kromme rug.  Die kromme rug had hij omdat al vanaf zijn dertiende jaar aan een werkbank had gestaan als modelmaker, later in zijn eigen bedrijfje.  Als gevolg van de algemene economische crisis in Europa en de rest van de wereld kon hij vaak geen opdrachten voor houten modellen krijgen van de grote fabrieken met gieterijen in Utrecht. Dan was hij werkeloos en moest gaan stempelen.  Een groot gezin, werkeloosheid en andere economische moeilijkheden hadden mijn vader dus al vroeg oud gemaakt.

Die pianowagen werd normaal door een man getrokken en niet geduwd zoals een handwagen.  De afspraak was dat om de beurt een van ons zou trekken terwijl de andere in de bak van de pianowagen zou uitrusten.  Om te trekken liep je als een paard tussen de handbomen met  een brede zeelt om je schouders. De weg naar Zwolle was wel heel anders in karakter dan de weg naar Deventer. De weg naar Deventer ging door mooi natuurgebied, de Bilt, Zeist, Amersfoort, Apeldoorn, Deventer en dan naar Holten.  Je zag prachtige villa’s waar ik dacht dat daarin rijke mensen woonden.  De weg naar Zwolle was anders. Eerstens blies daar op die weg voortdurend een harde wind en er waren geen beschermende bossen.  Ik zag zelfs bakfietsen waarop mensen zeilen hadden gezet om op die manier gemakkelijk vooruit te komen. Nu met die sterke wind moest je wel goed hard voor die pianowagen trekken. 

Op de weg naar Zwolle waren er ook veel meer hongertochters dan op de weg naar Deventer.  Als ik het me goed herinner heb ik meer getrokken dan mijn vader. Eindelijk kwamen wij bij Zwolle aan en daar stonden ook weer Duitsers op de brug over de Ijssel. Ik trok de pianowagen de weg naar de brug op terwijl mijn vader onder een deken in de pianobak lag. Toen ik bij de Duitse wachtpost aankwam werd mijn vader wakker, richtte zich op van onder zijn deken. De Duitse wacht vroeg mij iets wat ik me nog woordelijk kan herinneren. Hij vroeg: “Ist der Alte krank.” Ik antwoordde daarop” “Ja, mein Vater ist krank.”  De soldaat zei toen iets wat ik begreep dat we de brug over mochten. De soldaat schreeuwde toen nog iets naar zijn kameraad aan de andere kant van de brug en binnen een paar minuten rolde ik met de pianowagen de weg af aan de Overijsselse kant van de Ijssel.

Nu moesten we verder trekken naar de gebieden waar we aardappelen zouden kunnen kopen.  Onder weg vroegen we aan mensen waar je aardappelen kon kopen. Wij zijn toen verder in noordelijke richting gelopen en liepen dan langs, wat ik denk de Dedemsvaart was, naar Balkbrug. Ik weet nog dat we steeds brugjes over moesten en soms liep je aan de ene kant van die vaart en soms aan de andere. In de buurt van Balkbrug had je aardappelhandelaars en daar hebben we onze pianowagen volgeladen met veenaardappels.  En toen maar weer terug op de weg naar Utrecht. 

Als ik er nu over na denk dan moet ik zeggen dat de aardappel hongertochten boven Zwolle niet zo interessant waren als de rogge tochten naar Holten. Ik vraag me nu ook nog af hoe we onderweg aan eten kwamen. Bij huizen langs de weg om eten bedelen hebben we nooit gedaan. Eten in een winkel kopen was onmogelijk.  Nu herinner ik me dat onze moeder boterhammen met margarine en suiker voor ons klaarmaakte en in een krant wikkelde voor onderweg.  Dat was vaak genoeg voor twee dagen.

En als ik in Holten bij de boeren aanklopte om een kilo rogge te kopen dan verkochten of gaven ze me niet alleen de rogge, maar stopten me vaak ook nog een boterham met worst toe. En voor je ‘s avonds het hooi inging gaven de boeren je altijd eerst lekker te eten en ‘s morgens voordat je vertrok was er ook weer havermout of brood.  En vaak gaf de boerin je ook nog een boterham voor onderweg.  "Dank U nog hartelijk goede boeren van Holten." De meesten van U zullen wel dood zijn en daarom bedank ik hiermee ook de kinderen van die goede ouders.

De auteur:

Over de auteur, Jacobus F. Bakker. Geboren en getogen in Utrecht.  Na de Handeldagsschool and HBS in 1951 naar Indonesia vertrokken als staf employee van de grote handelszaak Jacobson van den Bergh. Woonde en werkte daar in Jakarta, Tjirebon, Purwokerto en Makassar.  In Januari 1958 per boot van Singapore naar San Francisco als emigrant naar Amerika waar hij op 13 Maart aankwam. 

Op 9 Mei 1958 ging hij als soldaat het Amerikaanse leger in en werd daardoor, hem onbewust, onder een toenmalige Nederlandse wet statenloos. Werd Amerikaans staatsburger en kreeg een directe Presidentieele benoeming tot leger officier in 1964. Gestationeerd in Duitsland, Korea, Vietnam en Turkije.  Na twintig dienstjaren werd hij in 1978 gepensioeneerd in de rang van Luitenant Kolonel.

Zonder een dag werk te verliezen werd hij burgerambtenaar bij de Amerikaanse Kustwacht (Coast Guard) en vervolgens bij de Amerikaanse luchtmacht.  Aangelokt door een zaak die grote contracten heeft met de Amerikaanse regering, vroeg hij na een dikke 28 jaar als burgerambtenaar (Kolonel-equivalent) zijn pensioen aan in November 2006.

Hij werkt nu als “contract employee” bij het Bureau Nationale Garde (National Guard Bureau).
Het bevalt hem daar niet zo goed als in zijn vroegere banen. Naast Engels, spreekt and schrijft vloeiend Nederlands en Duits, spreekt en schrijft behoorlijk Frans en Indonesisch (Bahasa Indonesia).  Goede gezondheid. Zoekt interessant ander werk  Reageert op de naam “Co”, “Jay”, “Jake” of “Hee, jij daar.”

Jake Bakker, a participant who lives in the USA and who will take part in the reenactment by walking from Rotterdam to Hattem writes:

I was born in October 1931 in the city of Utrecht and grew up in a family with six siblings. I had just turned 13 when the hunger winter made its initial impact felt, and the food situation started to look really bleak. My older brothers were 18 and 22 years old and my eldest sister was 19. The older brothers could not freely leave the house without running the risk of being detained by German soldiers for some short term involuntary work, such as the offloading of trucks downtown, or possibly for some other involuntary work assignments of longer duration.

The youngest children, a little brother age 7 and a little sister age 4, were still too young and had no idea of the precarious situation. The only thing we all knew about was being hungry and cold. We had only one potbelly stove in our house and in the years before the hunger winter that stove would be burning red hot with plenty of coal or coal briquettes in its belly. But in the fall and winter of 1944/1945 we no longer had any coal, and once in a while we would fire up that stove with pieces of wood we had scrounged somewhere.  But the main source of heat for warming us or for cooking was a small tinplate stove, called little fire devil, which used less wood. To keep warm we often wore our winter coats in the house.

Our daily life centered on food and how to get it.  When our mother “filled” our plates all children paid close attention whether one child got a bigger portion of food than the rest of us. All children had a well-intended nickname. Sometimes a brother or sister would get mad and asked why the “dog,” (my oldest brother) got a much bigger potato than he (the “sheep”) or she (the “lion”). Our father was always served first and got the biggest portions. My older brothers told the other children in secret that my father was an egoist and that they also suspected him of eating outside on the sly as well.   Yes, we were always hungry and food was the only topic we constantly talked about.  We were always telling each other about our plans of what we would do with our money after the war. Eat as many pancakes as you desired until you burst at the seams. Big pancakes with bacon.

Since I was of the “right” age it therefore became my responsibility in the fall of 1944 to supplement the little food our family could still get with our ration stamps with any kind of other food. Well, that was fine with me. Ever since the beginning of the German occupation I had already proved myself as a rather smart kid when it came to the provisioning of food. My first “trade” was with the “enemy.”  The armed enemy entered the city of Utrecht around 14 or 15 May. Before their arrival big notices had been plastered on the walls throughout the city advising us that the Germans were our friends and that it would be best to continue doing our usual jobs and going to school.

It turned out that the enemy that “invaded” the city of Utrecht consisted of older German soldiers in horse-drawn covered wagons and officers mounted on beautiful Arabian horses. They took a break right across our house on Vleuten Highway. As a curious 8 year old, I went to take a look what was going on.  The German soldiers had Dutch money on them and told me that they wanted Dutch chocolate. They gave me a couple of guilders and I ran straight to the small corner grocery store where I bought some popular “Tjoklat” or “Rademaker” brand chocolate bars for the soldiers.  I kept the change as “profit.” After the delivery of the first order there were other German soldiers who wanted chocolate. I eagerly supplied them quickly, and that’s how I made my first profit.

From the age of ten I also made regular trips on my old bike to the surrounding countryside to buy vegetables, fruits and potatoes. I did not just buy for our own family, but also for our neighbors. That way I earned a couple of extra guilders which I used as my capital for subsequent bike trips to the countryside.  The ‘countryside” started  a little less than a mile from our home as soon as you crossed the big bridge across the Merwede Canal near the Douwe Egberts coffee roasting factory.

That bridge was a strategic point in my life. In 1944 and 1945 British RAF planes appeared daily in the skies in an attempt to bomb that bridge. Therefore, before I crossed that bridge I would always scan the skies to see whether there were any aircraft nearby.  If I thought that all was safe, I would cross the bridge as rapidly as I could.  One time I was halfway on the bridge when the air alert began to wail.  I quickly threw my bike down and dove down an embankment alongside the road. The Brits lobbed a couple of bombs toward that bridge, but fortunately they did not hit their target and the bombs exploded between the embankments of the railroad bridge and the highway bridge.  Luckily I had dived down the embankment on the other side of the road.

In the early years of the German occupation there often stood on that bridge a Dutch “traitor,” a Dutch Nazi Party member in the uniform of a “Home Guard,” “People’s Guard” or in the vernacular as a “green frog,” armed with a shotgun.  When I wanted to cross the bridge on my return from my food acquisition trip in the villages of Vleuten or Kockengen, these guys would stop me on the bridge and rifle through my bicycle side bags and lecture me that what I did was against the interests of the people and against the law, and if he caught me next time he would confiscate everything, including my bike.

Those trips to the nearby countryside west of the city of Utrecht ended in the fall of 1944. By that time the heart of the farmers and vegetable growers there had turned to stone because of the great number of people that regularly knocked on their doors in search of food. Those farmers and vegetable growers did not trade anything in an exchange for money anymore, but had set up a barter trade where they exchanged fruits or potatoes in exchange for things of value, such as, new bed sheets, valuable clocks, watches, marriage bands etc. Some people asserted that these farmers had become filthy rich.

The Hunger Trips in Search of Rye to the
Town of Holten, Province of Overijssel

With the beginning of the fall in 1944 it was really becoming outright difficult to feed the family, and it was at that time that I undertook my first “hunger trip” by bicycle to the province of Overijssel. I have made five “hunger trips”. Three on my bicycle from Utrecht via Deventer to the town of Holten, Overijssel to buy rye, beans and peas, and two trips with a handcart from Utrecht via Zwolle to the village of Balkbrug/Hardenberg, Overijssel to buy industrial potatoes normally used for the manufacture of potato starch. The purpose of my first trip thus was to buy rye so that we could make rye bread at home. I say “make” instead of “bake” because we could not bake at home because we lacked a stove with an oven.  We had a common gas burner with two burners, but since the utility company no longer supplied gas my mother had to cook on a small tinplate stove commonly called “little fire devil.” The rye was normally ground in our manual coffee grinder and was then  molded into the form of a loaf, wrapped in a cloth,  and cooked in a pan of water on the little fire devil.  However, we also regularly simply ate rye meal cooked in plain water.

I went on my first hunger trip dressed in patched knickerbockers, officially called by the French name of plus-four but in the vernacular called puff pants or turt pants by us, an old jacket or coat, wooden shoes, and  a motorcycle cap with earflaps. With that motorcycle cap with the earflaps down I really looked emaciated. Under my regular shirt I wore a woolen undershirt knit by my mother. The bicycle tires were worn smooth and had no treads any longer and holes had been “repaired” by placing pieces from other bicycle tires under the bicycle tire from the inside. The bicycle inner tubes had been patched dozens of times and any leaks were hard to patch.  Although we were not very religious at home, I regularly “prayed” when I rode my bicycle. Saying things like “O God don’t let me get a flat tire or don’t let the rims or spokes break.” I also promised God quite a few good deeds as long as nothing would happen to my bike. Because if you got a flat the only solution could possibly be the removal of the outer and inner tubes from the wheel and then continue on riding your bike on the rim only. And in that case you would not get very far.

The bicycle trip went via the towns of Zeist, Amersfoort, Apeldoorn, then crossing the Ijssel river at the town of Deventer. The bridge across the Ijssel river was guarded by German soldiers and had been closed to non-military traffic unless one had a special pass or “Ausweis” in German. Most people did not have an “Ausweis” and had to rowed or ferried across the river. But I pushed my old bicycle up the incline toward the bridge and when I reached the guard I quickly made up some sentence in what I thought was German asking him permission to cross the bridge. The German soldier then shouted to his commander of the guard that I was a child, and I was then allowed to cross the bridge. From the city of Deventer

I then bicycled to the town of Holten and nearby Mount Holten. In the vicinity of Holten I stopped at every small farm and asked whether they would be willing to sell me some rye, peas or beans. Most farmers sold or just gave me a kilo of rye.  I deposited the rye either in my bicycle side bags or in a gunny sack. Toward the evening, I would stop and ask a farmer whether I could sleep in his stable in the hay above his cows. That was never any problem. And the farmer’s wife always invited me to their dinner table where I had a chance to really fill up. One time it did not go as planned. I had been invited to share the evening meal with the farmer’s family and farm hands.

They served a large and deep plate of a potato and vegetable mash. Everyone got a fork, but no plate. Everyone just started to dig into the food with his fork. Although I was really hungry, I thought it was disgusting to use the same fork that had already been in someone’s mouth to continue digging for food on the communal plate. I therefore started eating with a feeling of disgust.  I therefore eat as much as possible and as fast as I could from my side of the communal plate. And before the other eaters had to reach with their forks toward the middle of the plate to scrape off the remaining food, I would stop eating and pretend I was already full.

Sleeping on the small farms in Holten was always an adventure.  First, you were always kept awake or awakened by the cows that never stood still, made a racket by swinging the chains attached to their tails, mooed sometimes, and loudly urinated or dropped big piles of excrement on the cement floor. The other sound that always woke you up was the V-1 rockets that the Germans launched from Mount Holten toward London. You always listened whether the motor of the V-1 rocket conked out in which case it would come down over Holten. It was always quite a relief when you heard the continued humming of the V-1 rocket motor, indicating that the V-1 rocket was successfully on its way to London. A fairly high percentage of the V-1 rockets must have malfunctioned because all along the farms roads you saw V-1s that had crashed to the ground.

The farm roads in those days were unimproved sand roads where the horse-drawn carts had frequently dug deep ruts or gullies. It was quite often not easy to maneuver your bike through those deep ruts with fully loaded side bags and with filled gunny sacks across the handle bars and the luggage carrier. On those side roads I have mumbled many prayers and made many promises to God.

On one of those hunger trips to Holton my bicycle was loaded with rye, beans and peas and other foodstuff, and I decided it was time to go back to the city of Utrecht.  From one of those farm roads I arrived at a paved highway with a good bicycle path running alongside it. I know it was not the same highway I had taken from the city of Deventer to the town of Holten. But on the bicycle road marker, which we called toadstools because of their shape, there was an arrow indicating the direction toward the city of Deventer. I thought well I am in luck and am going straight to the city of Deventer from here. The highway ran through some fairly large forests and after about 10 kilometers my road was blocked by a large tree which had been felled across the highway and bicycle path.  I was about to burst out in tears. Do I have to go all the way back to Holten and find that other highway to Deventer?  I did not like that idea one bit.

Therefore I pushed my bicycle off the bicycle path slightly into the woods where I could just squeeze my bicycle past the crown of the tree back onto the bicycle path on the other side of the tree. But a little farther on there were more trees lying right across the road and bicycle path. I therefore had to leave the main road again and was back on a sand road.  Here I bicycled or pushed my bicycle past several small farmsteads located in the forest and I hoped to be able to find the main highway again. All of a sudden a German soldier came toward me from a small side road. But before he asked me anything he called out to someone standing deeper in the stand of trees “Es ist nur ein Kind” (It’s just a child). Then he told me something like I better get out of here fast and pointed me in the direction I should take. I reached the main highway again and fortunately I encountered no more trees across the road. Slowly I began to realize that the place I had stumbled upon must have been the site from where the Germans launched their V-1 rockets.  With my childish thoughts I began to wonder how many Jews were being held captive in that forest where the German soldier approached me, because we had always heard that the Germans used Jews to launch their rockets because of the great chance of getting killed.  Fortunately this was not true.

Now the road to the city of Deventer was wide open and the only anxiety I still had was whether I would be able to cross the bridge across the Ijssel river without any difficulties. Fortunately, everything went smoothly and I got across the bridge without any problem. Now I just hoped that I would not encounter any problems with my bicycle. In the city of Apeldoorn I saw a group of Dutch men and women get on a German military truck for a ride to Amersfoort or Utrecht.  Although I did not know whether I would be allowed to get on the truck as well, I thought it would be too much of a hassle to try to get my fully loaded bicycle onto that truck. I therefore just pedaled on.  Later I realized that I had made a good decision not to try to get on that military truck because these trucks were often strafed and set on fire by Allied lanes. 

When evening fell I was again back in the city of Utrecht. I pulled (the cord of) the bell at my house and my eldest sister pulled the cord from the top of the stairs to open the door and yelled “Co is back home.” The loaded bicycle was quickly pushed inside the door before nosy neighbors could see my bicycle loaded with foodstuffs. And then we would unpack and all family members were amazed at how much you could load on a bicycle. I also had some pleasant surprises for the family, such as a couple of packs of real farmer’s butter and a big loaf of rye bread.

The Hunger Trips in Search of Potatoes to the Town of Hardenberg, Overijssel Province

In the summer of 1944 we had bought potatoes wherever we could for the coming winter. Most potatoes we bought in the town of Vianen where delicious potatoes were grown in the fertile clay.  My father had constructed a special potato bin in a small room adjacent the living room. By the beginning of the fall 1944 potatoes and rye had become the main sources of nutrition for our family. Each and every day my mother boiled huge pots of potatoes. We ate potatoes in such large quantities that it soon became evident that the stash of potatoes that we had squirreled away was not sufficient to last and feed our family until the following spring.

When I think about it, I think it is strange that despite the scarcity of food, my mother, and most Dutch, peeled their potatoes instead of boiling them in their skin. This way about 5 percent of the potatoes landed straight in the potato peel bin.  In the environs of the city of Utrecht there were no longer any potatoes to be had. We knew from other people that in the province of Overijssel there were still potatoes for sale. The potatoes grown in the province of Overijssel were not as good tasting as the clay soil potatoes that we usually ate and were spoiled with. But the threat of hunger led to our decision to walk and pull a handcart to the province of Overijssel to fetch potatoes. An acquaintance of ours loaned us a piano cart which could easily hold forty bushels of potatoes. My father and I would undertake that trip.

Now first something about my father. Although he was only 46 years of age when we undertook that trip he already looked like an old man. His hair had already turned gray and he had a severely bent back.  His back was bent because from the early age of 13 he had worked bent over a workbench as a skilled patternmaker for foundries, and later as the owner of a one-man enterprise.  As a result of the general economic downturn in Europe and the rest of the world before the Second World War, he could often not get any orders for patterns from the big factories that had foundries. Then he would be unemployed and forced to start drawing meager unemployment payments from the government. A large family, unemployment and other economic difficulties had aged my father prematurely.

The piano cart we borrowed was normally pulled by a man, and not pushed like a handcart. The arrangement was that alternating one of us would pull the cart while the other was resting in the body of the cart. While pulling the piano cart you would walk like a horse between the two poles with a wide and flat pulling strap across your shoulders. The road to the city of Zwolle was completely different in characteristics than the road to the city of Deventer. On the road to Deventer you passed through beautiful scenic countryside, the towns of de Bilt, Zeist, Amersfoort and the city of Deventer and from there on to the town of Holten, province of Overijssel.  You saw beautiful mansions along the road in which I thought rich people lived. 

The road to Zwolle was different. First there was a constant and strong wind blowing and there were no forests to break the wind. I even saw bicycle carts on which people had mounted sails so that they could easily cover the distances. With that strong wind you really had to pull the piano cart with great effort and energy. On the road to Zwolle there were also more people undertaking hunger trips than on the road to Deventer.  If I recollect correctly, I believe I pulled the cart more than my father. Finally we arrived in the neighborhood of Zwolle and there again German soldiers were guarding the bridge across the IJssel, permitting only duly authorized traffic to cross the bridge. I pulled the piano cart up the ramp to the bridge while my father was sleeping under a horse blanket in the body of the piano cart. When I arrived at the German guard post my father woke up, threw the blanket aside and sat up straight in the cart. The German guard then asked me something that I can still remember word for word. He asked; “Ist der Alte krank?” (Is the old man sick?) I replied: “Ja, mein Vater ist krank.” (Yes, my father is sick). The soldiers then said something in German that I interpreted that we could cross the bridge. The soldier then shouted something to his comrade on the other side of the bridge and within a couple of minutes I rolled down the road with my piano cart on the province of Overijssel side of the Ijssel river.

Now we had to go on to the area where we could buy potatoes.  On the way we asked people where you could buy potatoes. We therefore pulled our cart further in northerly direction and then we walked alongside what I think is the Dedem Waterway (Dedemsvaart), near the village of Balkbrug. I know that we repeatedly had to cross small bridges and sometimes you walked on one side of the waterway and sometimes on the other. In the neighborhood of Balkbrug there were dealers that sold potatoes and there we filled our piano cart with sand or peat marsh potatoes. And then we were on our way back to the city of Utrecht.

As I think about it, I must say that the hunger trips in search of potatoes were not as interesting as the trips in search of rye to the town of Holten. I also try to remember how we obtained food on our trips. We never knocked on doors along the way to beg for food. Buying food in stores was impossible. Now I remember that my mother would make sandwiches with margarine and sugar and wrap them in a newspaper for the road trip. That was often enough for two days.

Whenever I stopped at the small farmsteads in Holten to buy a kilo of rye, then the farmer not only sold or gave me just a kilo of rye, but also often gave me a sausage sandwich. And at night, before you turned in to sleep on the hayloft above the cows, the farmers first gave you a plentiful meal, and in the morning before you departed they fed you with oatmeal or sandwiches. And quite often the farmer’s wife gave you some sandwiches for the road. Therefore I as yet thank you kind-hearted farmers around Holten. Most of you are dead by now and therefore I also thank the children of these benevolent parents.

The author

About the author, Jacobus F. Bakker. Born and raised in Utrecht. After completing the School of Commerce and Advanced High School A (HBS A) departed for Indonesia as a staff employee of a large Dutch trading company in Indonesia, Jacobson van den Bergh. He lived and worked in Jakarta, Tjirebon (now Cirebon), Purwokerto and Makassar. In January 1958 he sailed by boat from Singapore to San Francisco as an immigrant to the United States where he arrived on 13 March 1958.

In May 1958 enlisted in the United States Army as a private and as a result, unbeknownst to him, became stateless under an old Dutch law then still in force. Was naturalized as an American citizen and was awarded a direct Presidential commission as a United States Army Officer in 1964. Was stationed in Germany, Korea, Vietnam and Turkey. After twenty years of service retired with the rank of Lieutenant Colonel in 1978.

Without losing a day’s work he became a civil servant first with the US Coast Guard and then with the US Air Force. Enticed by a large enterprise with big contracts with the US Government, he retired from the Civil Service after more than 28 years of service in November 2006. He now works as a “contract employee” with the National Guard Bureau.

Home Up Bakker, J Bakker, T Beld v/d, E Belle van, D Beneker, G Bredius, R.M. Brinkhaus, J Bunk, H Ferdinandus, R Grindrod, F Haan de, N Hut, W Jonge de, A Kasteel. E Klinge, W Koks, G Leeuwen van, E Leeuwen van, Hans Leeuwen van, Jan Lens, J Makaske-Kuijer, J Meurs, H Molenaar, J Oostwoud v/d Panne Pelt van, G Roggeveen - Vat, I Scholman, C Schut, A Smit, L Stans, A & M Struijs v/d, A Til van, L Swijnenburg, G Valk, C Vugt van, A Walle v/d, F & W


Home | A. Reportage | B. Planning | C. Historie | D. Verhalen | E. Reunie | F. Administratief

 Copyright © 2007 www.hongertocht.org. Material may be used with acknowledgement of source.
For questions regarding this Web site contact webmaster@hongertocht.org. Last updated: 05/19/08.