|
Mevr. R.M Bredius
– van Otterloo schrijft:
Naar aanleiding
van het lezen van de Oud Rotterdammer “geweldig dat die er is” moet ik
nu tochmaar eens iets schrijven. Ook ik was een van die jonge lui die
weg liep van huis omdat er helemaal niets meer te eten was. In januari
1945 lag ik in de nette kamer op bed met difteritus. Op de zelfde tijd
werdt de vlootbasis aan de Waalhaven gebombardeerd Het glas vloog uit de
sponningen over mijn bed heen.
Maar dat was
niets vergeleken met de latere oorlogs jaren. Het werdt heel erg want er
waren alleen nog maar suikerbieten te eten. Daar werdt pulp van gemaakt
en moeder bakte daar zogenaamde pannekoekjes van. Het sap stroop uit de
bieten ging op de enkele boterham die je kreeg.
Toen het te
erg werdt heb ik met een vriendinetje afgesproken om weg te gaan. We
zouden gaan lopen tot we ergens terecht zouden komen waar wat eten was.
Ik vroeg mijn vader wat hij er van dacht. Hij zei het zelfde wat ik
dacht. Zoek alleen je geluk en ik zegen je, kind. s’ Nachts ben ik
stiekem bij dat vriendinnetje gaan slapen en s’morgens om 6 uur zijn wij
vertrokken. En paar dingen gingen in een koffertje waaronder de schoenen
met houten zolen. We waren
zo warm mogenlijk gekleed toen wij zijn gaan lopen.
Een
werkenlijk einddoel hadden we eigenlijk niet. Dus maar op weg richting
Gouda! Wij zijn gekomen tot Montfoort. Daar werden wij opgevangen door
de bevolking en daarbij was een dominee of pastoor van een kerk waar
stro opgehoopt was op de vloer. Daar mochten al die mensen komen rusten. Onderweg was die stoet van mensen steeds groter geworden. Ze
waren allemaal op weg naar eten! Moeders met kinderwagens en hele
gezinnen. De meeste waren zonder Vader want de Razzia had in November
plaats gevonden.
In de nacht
doe volgde geprobeert om te slapen. Er lag een flink pak sneeuw buiten
dus het was behoorlijk koud. Om een uur of 5 s’morgens hoorde ik twee
mannen met elkaar praten over dat de wagens ingespannen waren. Zij
gingen proberen om over de brug in Zwolle te komen voordat deze ook
gesloten werd door de Duitsers, al noemde wij die toen anders. Ik heb
het vriendinnetje wakker gemaakt en gezegd, "Kom op. Wij moeten proberen
met die slepers wagen mee te kunnen lopen en misschien proberen om af en
toe op te zitten om te rusten. Die mannen gaan proberen om aardappelen
voor de bevolking te kopen. Wij hebben het hun toen gevraagd en we
mochten mee met nog meer mensen in die kerk. Dat gaf wat bescherming. Zo
ver als ik mij het kan herinneren heeft het ongeveer 5 dagen
geduurd.
Vroeg
op een ochtend reden deze wagens over de IJsselbrug met toezicht van
Duitse soldaten. Die staken met een bajonet in de gonjezakken waar wij
boven op lagen met een deken over ons heen en nogeens met een 5 cm
sneeuwlaag er over heen. Eenmaal aan de andere kant van de brug werden
wij er afgeholpen. Wij moesten toen maar verder lopen en zien wat er te
vinden was. Op die manier zijn wij in Staphorst terecht gekomen. We
hebben daar bij een boerderij gevraagd of we in de stal mochten slapen
en verteld dat wij de volgende dag weer verder zouden lopen. Onderweg,
op 26 januari, werd ik 17 jaar. Ik heb het laatste geld dat ik nog had
in Steenwijk uitgegeven voor een slaapplaats in een hotel. Ik was
eigenlijk te ziek en door en door koud. Het hotel is er nog. Wij zijn
langs Steenwijkerwold en Paaslo zo in Oldemarkt terecht gekomen en daar
ging mijn licht uit.
Ik ben onder een kastanjeboom gaan
zitten en dacht al vergaat de wereld, ik loop geen stap meer. Mensen
hebben ons binnen gehaald en goed voor ons gezorgd. Ik ben bij die
famile gebleven omdat ik goed met een naaimachine uit de voeten kon. Dat was toen belangrijk want het was een groot gezin. Mijn vriendin is
toen op aanvraag in een ander gezin opgenomen. En nu het mooiste, ik heb
nog steeds contact met dat gezin. Maar weinig van deze mensen, die
toch veel mensen op hebben gevangen, kunnen zeggen dat iemand hun nog
herinnert. Wij zijn nu allemaal
op leeftijd maar vergeten doe je het nooit.
Na de oorlog, in Juni
1945, ben ik
met een kolenschuit vanuit Steenwijk over het IJsselmeer via
Amsterdam terug gekomen in Rotterdam. Mijn moeder heeft achter af
verteld dat voor 6 weken niet heeft geweten of haar dochter nog leefde of
waar ze was. Maar je besef nu pas wat dat voor haar heeft betekend.
Ik eindig hier dit
verhaal over die ervaringen en hoop dat het een beetje helpt om
de verhalen van al die mensen, en zeker de Rotterdamse Amerikaan,
compleet te maken. Het is ook om al die mensen die aan deze dingen aandacht
besteden te bedanken. En natuurlijk ook de gezellige Oud
Rotterdammer die nog aandacht aan ons heeft besteed.
Mevr. R.M Bredius
– van Otterloo, Rotterdam.
|
Mrs. R.
M. Bredius - van Otterloo writes: In
connection with my reading of the Oud Rotterdammer "fantastic that
it exits" I felt that I should write something. I too was one of the
young people who ran away from home because there wasn't anything to eat
anymore. In January 1940 I was in bed in our formal living room with
diphtheria. At the same time the naval base at the Waalhaven was being
bombarded en de glass blew out of the windows over ny bed.
But that was nothing compared with the last
years of the war. It got very desperate because there were only sugar
beets to eat. We made pup out of these and mother baked the " so-called"
pancakes from the pulp. The syrup that came out of the beets was used on
bread and pancakes when these were available.
When it got too bad I agreed with a girlfriend
to run away. We intended to just start walking till we got somewhere
where there was food. I asked my father what he thought about it. He had
the same opinion as I had. He said. "Just search for your happiness and
I'll give you my blessing, my child." During the night I crept out of
the house and slept at my girlfriend's house. In the morning at 6:00 AM
we departed on our hongertocht. We had put a few things in a small
suitcase including my shoes with wooden soles. We had dressed ourselves
warmly before we got underway.
We didn't really have a destination. So, to
start, we walked in the direction of Gouda! We got as far as Montfoort.
There we were received by the citizens and a preacher or priest and
accommodated for the night in a church where straw had been put on the
floor. That was the place were all walkers were invited to rest. While
underway the procession of refugees was successively getting bigger.
They were al on their way to find food. Mothers with prams and whole
families of kids. Virtually al of them were without a father because the
razzias had rounded them all up in November last year.
During the night we tried to sleep. There was a
lot of snow outside and therefore quite cold. At about 5:00 o'clock in
the morning I heard two men talk about wagons that were ready for
departure. It was their intention to get over the bridge near Zwolle
before this would be closed by the Germans (although at the time we had
a different name for Germans.) I woke up my girlfriend and said, "Wake
up! We'll have to try to walk with these wagons and maybe we can zit on
them from time to time to rest." It was the intention of these men to
buy potatoes to bring back to the starving population. We then asked
them if we could come along en they said the we and some others that
were in the church could come along as well. That gave us some
protection. As best as I can remember that part of the trip took about
five days.
Early in the morning the wagons rolled across
the IJssel bridge under the watchful eyes of German guards. They
thrusted their bayonets in the jute bags we were laying on covered
by a blanket on top of which there was another two inches of snow. As
soon as we were some distance on the other side of the river, we were
assisted getting down en from there on we had to walk again and look
what we could find. In this way we arrived in Staphorst. We asked at a
farmhouse whether we would be allowed to sleep in the stables and told
them that we would move on again the next day. While underway on 26
January I turned 17. I spent my last money on a bed in a hotel. I was
too ill and cold to the bone. That hotel is still there. Wie continued
past Steenwijkerwold and Paaslo and arrived in Oldemarkt where I nearly
fainted.
I sat down under a Chestnut tree and thought
even if the world comes to an end I'm not going to take another step.
Some people pulled us inside and took good care of us. I stayed with
that family because I was good with the sewing machine. At the time that
was important because it was a large family. The nicest part is that to
this day I'm still in touch with that family. Only few of these people ,
that took care of refugees, can say that anyone still remembers them. We
are now in our old age but we will never forget.
After the war, in June 1945, I traveled with a
coal barge from Steenwijk, across the IJsselmeer via Amsterdam to
Rotterdam. Much later my mother told me that for six weeks she never
knew where I was or whether I was still alive. It is only now that we
can understand what that must have meant for her.
I'll stop my story about my experiences here in the
hope that it will help others to tell their stories, and certainly the Rotterdamse American, to round their stories of. It is also to thank all
the people that pay attention to these stories. And, of course, the Oud
Rotterdammer that is still paying attention to the oldtimers.
Mrs. R.M. Bredius - van Otterloo,
Rotterdam |
|
Dit is een foto van mij nu. Ik ben nu 79 jaar en terwijl ik de
Hongertocht liep, werd ik 17 jaar. Dat was in januari, zelf was ik dus
12 jaar toen de oorlog uitbrak. Het doet mij ontzettend goed dat er nog
meer mensen denken aan die tijd. Als ik mijn verhaal aan mijn familie
vertel, onder andere de kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen
dan luisteren de meeste ademloos, ook omdat ze op de scholen daarover
tegenwoordig maar heel weinig leren. Verwondering is er dan op hun
gezichtjes te lezen terwijl ze zeggen:
‘Oma, heb jij dat echt
meegemaakt?’.
De tegenwoordige leermethoden vlakken deze verschrikkelijke tijd uit ons
leven gewoon uit, terwijl andere oorlogen zo vaak worden herdacht. En
qua leeftijd wordt de groep mensen die dit hebben ervaren steeds
kleiner.
Mw. R.M. Bredius van Otterloo |
This is
a photo of me, at present. I'm now 79 years old and when I walked the
Hunger March I turned 17. That means that I was 12 when the war started.
It does me a lot of good to know that there are other people that still
think about that time. When I tell my story to my family, among other:
children, grandchildren and great-grandchildren they listen
breathlessly, especially, because nowadays they don't teach this history
at school anymore. Be wonderment shows on their faces and then they say:
"Grandmother, did you really have those
experiences?"
The present curricula just wipe this
terrible period of our lives away just as if it never happened. Other
wars are still often remembered. Slowly the group of people who
experienced these times is getting smaller.
Mrs. R.M. Bredius van Otterloo |