|
Hier het verhaal van
de heer Roel Ferdinandus, wonende te Rotterdam.
Belevenissen tijdens de oorlog 1940 - 1945
Ik was 10 jaar
toen de oorlog uitbrak in 1940.
In 1944, ten
tijde van grote honger, waren er op de bonkaarten alleen nog maar
bloembollen, soep en een heel klein beetje aardappelen te krijgen. Er
waren mensen die stierven op straat van de honger. Dat was heel erg om
te zien en vergeet je nooit meer.
Wij waren
thuis met 8 kinderen. Vier jongens en vier meisjes. Op zekere dag kwam
er een brief van mijn oudere zus uit Groningen met de mededeling dat ze
voor twee personen tijdelijk een pleeggezin had waar nog wel eten en
drinken was
Ik heb toen,
als oudste van de jongens besloten, om met de jongste de lange reis te
gaan maken naar Groningen. Op een fiets met banden van repen autoband.
Echte fietsbanden waren er helemaal niet meer. We reden gewoon op de
autoweg, want verkeer was er totaal niet meer. Alleen ’s nachts reed er
een vrachtauto met voedsel naar de steden.
Onderweg
vroegen wij, bij mensen wat te eten en of wij mochten slapen. We sliepen
in Putten bij ‘de Bonte koe’ die was ingericht voor de honderden mensen
die op weg waren om wat eten te bemachtigen. Via de brug bij Kampen
gingen we over de IJssel.
In het stadje
Bijlen liepen we tegen een persoon aan die gelijk doorhad dat wij
vreemd waren. Hij nodigde ons uit om met hem mee te gaan naar zijn huis
en daar kregen we heerlijk te eten en te drinken. Hij vertelde ons dat
er die nacht een vrachtauto naar Groningen zou gaan en dat wij mee
konden rijden. Wij maakten daar dankbaar gebruik van.
In Groningen
aangekomen werden wij naar ‘de Harmony’ gebracht, waar we samen werden
gebracht met een groep hongerkinderen uit den Haag en Utrecht. De
volgende dag ging de hele groep naar de vaarsluis waar een boot klaar
lag om ons te vervoeren. Het was een boot die normaal aardappelen
vervoerde. Het ruim was goed schoongemaakt en er was stro op de bodem
gelegd. Met pakken stro werden er vakken gemaakt, zodat leeftijdgenoten
bij elkaar kwamen te liggen.
De tocht ging
naar Musselkanaal. Daar werden we onder gebracht in een school. In de
school waren een soort veldbedden neergezet. We hebben daar een dag en
een nacht doorgebracht.
De volgende dag
konden de mensen die zich hadden opgegeven voor een pleegkind zich
melden om een meisje of jongen in hun huis op te nemen. Mijn broertje
kwam bij de sluiswachter in huis. Waarschijnlijk omdat ik wat ouder was
brachten zij mij even buiten Musselkanaal naar een grote boerderij in
Valtermond. Daar heb ik als stadsjongen werken geleerd!
We waren op
het land aan het werk toen het geluid van kanonnen steeds dichterbij
kwam. Het leek ons veiliger om naar de boerderij terug te gaan. Korte
tijd later kwamen er Poolse verkenners en vlak daarachter Poolse
bevrijders! Niet lang daarna mochten we naar huis. Vervoermiddelen waren
er vrijwel niet meer. Er werd een veewagen grondig schoongemaakt en een
dikke laag stro op de bodem gelegd. Dat was lekker warm en zo reisden we
richting Rotterdam.
Op het
Maasstation zagen we na lange tijd onze familie weer! Eigenhaard is
goud waard.
Roel Ferdinandus |