Ad de Jonge schrijft:
N.a.v. de vele verhalen op uw website wil ik u mijn verhaal
ook laten horen.
Wij woonden in januari 1945 in de
Taandersstraat te Rotterdam west. Ik was toen net 15 jaar geworden
en we hadden het eigenlijk nog niet zo slecht want wij hadden de
bonkaarten van mijn beide broers, die met de razzia in november 1944
waren opgepakt en naar Duitsland gevoerd, nog tot onze beschikking.
Mijn vader was nogal voortvarend in het verzamelen van etenswaren,
ook al omdat hij vaak 's nachts op een kruidenierswinkel in Spangen
paste zodat er niet gestolen zou worden. Het was wel zo dat ik door
het vaak slechte eten en andere omstandigheden last van zwerende
benen had.
Ik had een vriendje, Pleun de Ruiter geheten,
die familie had in het plaatsje Een in Drente. Om een lang verhaal
kort te maken, er werd besloten dat mijn vader en ik tezamen met de
moeder van mijn vriendje Pleun, hij zelf en zijn zus Jobje naar
Drente zouden gaan lopen. Waarbij de beide ouders na aflevering van
ons in het dorpje Een weer terug naar Rotterdam zouden gaan
uiteraard, indien mogelijk, voorzien van een aanzienlijke
hoeveelheid etenswaren. Mijn vader had een fiets met massieve banden
waarop van tijd tot tijd een kind op kon gaan zitten, want fietsen
was er niet bij daar de banden er vaak afliepen.
De eerste dag liepen we naar Oudewater. Het
vroor dat het kraakte en we hebben daar overnacht in zo'n
trekkersgelegenheid waarvan eigenlijk elk dorpje of stadje onderweg
meestal was voorzien. Ik herinner me nog dat ik die nacht geslapen
heb naast de alom bekende "reus van Rotterdam" die kennelijk ook op
trektocht was met zijn vader.
Ik weet niet precies meer in welke andere
plaatsen we nog meer overnacht hebben. Ik herinner me nog Ermelo,
Zwolle, Assen.
Wel weet ik me nog goed de ellende van laagvliegende
jagers te herinneren, waarvoor we langs de kant van de weg in de
greppels doken omdat ze die lange rij mensen nog al eens aanzagen
voor Duitse troepen. Ook herinner ik me een man met een handkar
waarop zijn dode vader lag die op de terugweg was bezweken.
Onderweg moest je wel proberen je kostje bij
elkaar te schooieren bij de inwoners van zo'n dorp of stad. Dan komt
altijd weer bij me boven die keer in Ermelo dat mijn vader en ik op
zondagmorgen aanbelden bij een huis en om een boterham vroegen. De
mevrouw die open deed zei dat ze niets had en deed de deur weer
dicht. Mijn vader belde weer en toen er opengedaan werd vroeg hij "Mevrouw
gaat u straks naar de kerk"? Waarop zij bevestigend antwoordde. Hij
zij daarop dat hij er zeker van was dat ze meer aan de preek zou
hebben als ze deze kleine jongen wat boterhammen zou geven. Ze ging
daarop naar achteren en kwam na enkele minuten terug met een aantal
dik met spek belegde boterhammen.
Na acht dagen lopen kwamen we in Een aan waar
voor mij al snel een adres werd gevonden waar ik de rest van de
oorlog kon blijven. Mijn vader en mevr. de Ruiter zijn volgepakt
weer teruggegaan. Ze waren nog maar net op tijd om de IJsselbrug te
passeren want de volgende dag werd deze gesloten.
Op de boerderij waar ik werd ondergebracht
werd ik nadat ik wat opgeknapt was ook ingezet bij de boerenarbeid.
Ik moet u zeggen het was niet het werk wat ik mijn hele leven zou
willen doen, maar ik heb het wel met genoegen gedaan. Op een goede
dag in april 1945 was ik aan het aardappels poten met een groot
zwaar schort voor waar de aardappels die gepoot moesten worden inlagen.
Terwijl ik daar aan het werk was zag ik de Canadese pantserauto's
aankomen. Mijn reactie hierop was dat ik de hele handel op de grond
gooide en me repte naar de bevrijders. Van toen af heb ik geen
boerenwerk meer gedaan.Ik werd toen,
omdat ik redelijk Engels sprak, overal bijgehaald waar iets te
vertalen viel of uit te leggen was. Ik had dus min of meer een
baantje als tolk en werd daarvoor betaald met allerlei zaken, zoals
sigaretten en chocola, wat wij lange tijd niet gezien hadden. Zodra
de gelegenheid zich voordeed ben ik met een Canadese legerauto
meegereden en weer huiswaarts gekeerd. Heel veel ervaring rijker.
|