|
W. Klinge schrijft:
Wonderbaarlijke Hongertocht met mijn broer Maarten
Begin januari 1945 besloten mijn broer Maarten (die in Vlaardingen
woonde), en ik op de fiets een hongertocht te maken naar Holten. Het
plan was om naar het zgn. “ heksenhutje” te gaan waarin door een man
zeep gefabriceerd werd en om dan eerst te overnachten in Deventer bij
het gezin van een leraar van de ambachtschool. (Zie
mijn verhaal “2e hongertocht met Truus Klok.”)
De
Duitse controle bij de Deventerbrug was inmiddels dermate
verscherpt, dat je er alleen over mocht als je een vereist soort
legitimatiebewijs bezat. Mijn broer had destijds een soort
legitimatiekaart van één of ander Duitse instelling weten te bemachtigen
waarmee hij zou proberen om over de brug te komen. Bloedje link
natuurlijk. Maar voor eten nam je alle risico. Zelf moest ik op een
andere manier proberen de brug over te komen.
Omdat ik toentertijd als telefonist bij de luchtbescherming in
Schiedam was, had ik van de Luchtbeschermingsdienst een zwarte helm en
een E.H.B.O. band gekregen, zodat ik met luchtalarm ten alle tijden de
straat op mocht. Een band met “telefonist” had men niet en daarom hadden
ze me maar zo lang een E.H.B.O. band gegeven, hoewel ik daar niets van
af wist. Ik ging ik bij wijze van spreken al van m´n “kippengraatje” als
ik bloed zag.
Van
m´n huisarts had ik een briefje gekregen met het verzoek om mij bij
de brug doorgang te verlenen, i.v.m. de grote hongersnood die er in
Schiedam heerste. De helm en E.H.B.O.band nam ik mee, met de hoop dat
de Duitsers mij hiermee door zouden laten.
De
tocht verliep wonderwel zonder veel problemen. Vlak voor de
Deventerbrug zette ik de helm op en deed de E.H.B.O. band om. M´n
broer en ik hadden afgesproken dat ik als eerste zou proberen om over de
brug te komen en als dat gelukt was, dat hij dan zou volgen.
Ik
fietste zo hard ik kon op de Deventerbrug af en de Duitsers die
daar op wacht stonden en de zwarte helm en E.H.B.O.band zagen, hebben
toen vast gedacht dat ik ergens hulp moest verlenen, en schreeuwden:
“Fahr Los, Fahr Los” en lieten me tot m´n stomme verbazing doorrijden.
Ook
mijn broer lukte het om over de brug te komen en zo hadden we tot
onze grote opluchting deze hindernis genomen. Niet te geloven! Toen we
de brug over waren werden we in Deventer door de leraar van de
Ambachtschool en zijn gezin (waar ik eerder met Truus Klok geslapen had)
hartelijk en gastvrij ontvangen en mochten daar overnachten. De volgende
morgen kregen we een heerlijk ontbijt en na de familie hartelijk voor
alles te hebben bedankt, gingen we op weg naar Holten.
We
waren nog maar net Deventer uit, toen er, tot onze schrik, door de
Duitsers een controle werd gehouden. Ik zei tegen mijn broer ik stap van
mijn fiets af en ga lopen, dan zien ze dat ik invalide ben en laten ze
me wel gaan. Fiets jij maar door. Mijn broer werd zonder problemen
doorgelaten, maar ik werd aangehouden en na mijn persoonsbewijs te
hebben getoond, vroegen ze me hoe het mij gelukt was over de brug te
komen. Ik liet toen het briefje van mijn huisarts zien en m´n helm en
E.H.B.O. band, maar het hielp niet hun te overtuigen dat ik aan de hand
van deze bescheiden over de brug was gekomen. Ik moest met ze mee naar
een gebouwtje, waar ik grondig werd gefouilleerd, zelfs de inhoud van
m´n vulpotlood. Gelukkig had ik geen bezwarende papieren bij me. Maar
wel kregen 2 Duitsers de opdracht mij naar de andere kant van de brug te
brengen.
Daar
aangekomen heb ik toen voor het eerst aan de kant van de weg een
potje zitten janken, het was me even teveel. Na een poosje kwam het idee
bij me op om weer naar mijn broer in Wijk bij Duurstede te fietsen, om
te proberen daar wat voedsel bijéén te scharrelen. Zo gedacht, zo
gedaan. Ik heb die avond ergens onderdak gekregen en ook geslapen.
De
volgende morgen weer vroeg op pad en na de nodige kilometertjes
gefietst te hebben, zag ik in de verte een man die op een
richtingaanwijzer van de A.N.W.B. stond te kijken. Dat was vreemd, omdat
de Duitsers praktisch alle A.N.W.B. borden hadden verwijderd i.v.m .
de oorlogstoestand. Dit bord waren zij blijkbaar vergeten. Ik besloot
ook eens te gaan kijken om te zien of ik wel de goede weg was. Bij het
bord aangekomen keek ik de man aan en hij keek mij aan en geloof het of
niet, het was mijn eigen broer Maarten. Zeg u het maar, was het toeval
of een wonder?
Wat
was het geval, mijn broer die gezien had dat ik weer naar de andere
kant van de brug werd gebracht, besloot, om voor hij terug ging, eerst
nog even naar het hutje van de “zeepman” te gaan om voedsel te kopen.
Helaas was het hutje, dat langs een spoorbaan stond, tijdens een
bombardement geraakt en viel er dus niets meer te halen. Mijn broer
besloot toen ook om naar onze broer Rinus in Wijk bij Duurstede te
fietsen. En zo kwam het dat wij de andere dag elkaar weer ontmoette bij
dat A.N.W.B. bord.
Samen zijn we naar Wijk bij Duurstede gefietst en is het ons, na een
paar dagen gelukt, om met hulp van onze broer Rinus, genoeg voedsel op
de kop te tikken om de terugreis naar huis te aanvaarden. Onderweg
kregen we met extreme kou en enorme sneeuwstormen te maken en moesten
vaak schuilen en hele stukken lopen, omdat tegen de storm niet in te
fietsen viel. Na een nacht te hebben doorgebracht in een
“passantenhuis”, zijn we toch veilig en wel thuis gekomen.
Ik
was doodmoe en aan het einde van m´n “Latijn” en had een open lies
door het vele lopen. Maar na een week was alle leed geleden en konden er
weer voorbereidingen worden gemaakt voor een volgende tocht.
Heel
veel dank zijn wij verschuldigd aan mijn broer Rinus en zijn vrouw Aad,
die ons gedurende de hongerwinter steeds vele malen gastvrij hebben ontvangen en enorm behulpzaam geweest.
W.Klinge |