|






| |
|

Het geheimzinnige klooster in Henk
Meurs' verhaal hoeronder |
|
Henk Meurs schrijft:
Bij al die stakingen in 1944
stierven we als kind van de honger. We waren thuis met 6 personen,
Vader, Moeder en vier kinderen. Ik dus, Henk, was de oudste. Wij
woonden in Zeist. In november zijn mijn Moeder en de buurvrouw en ik
op pad gegaan met de kinderwagen om eten te halen bij de boeren.
Mijn leeftijd was 15 jaar. Mijn Moeder was 43 jaar en de buurvrouw was, ik
denk, 40 jaar oud. Met een kinderwagen, hoe bestaat het, daarin
zouden we de buit vervoeren. We hadden goede zin maar wisten niet
waar het schip zou stranden.
Eerst langs Soesterberg, toen langs het concentratie kamp
Amersfoort toen, na Amersfoort, dachten wij nu komt het goed nu
komen de boeren in zicht en dan de aardappels en dan weer vlug terug.
Helaas alles was al leeg en wij maar sjokken langs de weg. Toen kwam
het plaatsje Putten. Alles was daar dicht. Uitgestorven vanwege de
razzia door de Duitsers. Alle mannen zijn daar door de Duitsers
gevangen genomen vanwege een wraakactie doordat men daar het "Verzet"
een Duitse officier had vermoord. Ik weet niet meer in wat
voor donkere holen we hebben geslapen er kwam geen eind aan, er was
nergens wat te halen. Ongewassen en verwaarloosd liep je maar op
straat, en de winters waren toen nog echt koud. Ik had ook geen
schoenen meer aan.
Uiteindelijk zijn we in de
buurt van Raalte gekomen. Daar zijn we geholpen met een zak
aardappels en nog wat rogge. Een ding zal ik nooit meer vergeten. We
kwamen terecht in een klooster wat voor mij heel geheimzinnig was
want ik was niet Rooms Katholiek. De gasten pater mocht met ons
praten. Hij verzorgden onze voeten en we kregen eten en een cel om
in te slapen. Ik was vreselijk benauwd want er stonden beelden
opgeslagen in die cel. Ik durfde niet te kijken. In de nacht moest
ik nodig plassen en ik wist niet waar de WC was. Toen ging ik de
gang maar op. Ik schrok me bijna dood. Monniken met pijen haasten
zich en niemand gaf mij antwoord. Wist ik veel dat zij niet mochten
praten. Ik heb toen maar in een grote vaas geplast want ik moest het
toch kwijt. Die monniken gingen, zoals ik later hoorde, naar een
soort kapel want ze bidden erg veel.
Hoe we naar huis zijn gegaan -
dat weet ik niet meer. Wel dat ik weet dat wij bij Apeldoorn in een
soort school geslapen hebben. Iedereen lag in het hooi, naast elkaar
en in de morgen kregen we een bord gestampte rode kool met
aardappels. Thuis moesten we de aardappels en ook de rogge verdelen.
Er bleef dus weer niet veel over.
Later in januari ben ik met
mijn broertje van 13 op stap gegaan naar Apeldoorn. We hebben op een
dag 45 kilometerop gelopen.
Wij
liepen naar Apeldoorn dus
Zeist-Amersfoort-Barneveld-Voorthuizen-Nijkerk. Dat was toen een
hoofdweg waar de geallieerden met vliegtuigen op alles schoten.
(Vroeger kwam je uit bij de Juliana toren in Apeldoorn.
Het is nu een binnenweg geworden.)
Wij kwamen toen terecht bij familie van
mijn Vader. Daar zijn wij voor de rest van de oorlog goed verzorgt
en daar gebleven tot de Canadezen ons bevrijden. Ik
ben bevrijd in Apeldoorn. Het was onvergetelijk - die Canadezen toen
ze aankwamen. Ik heb er goede herinneringen aan.
Deze geschiedenis heeft grote
invloed gehad op mijn verdere leven.
Henk Meurs
|
Henk Meurs writes:
With all those strikes in 1944, as
kids we were starving because food could not be brought to the large
cities. In our house were six persons: Father, Mother and four children.
I, Henk, was the eldest. We lived in Zeist. In November 19ww my mother,
a lady from next door and I went on the path, with a children's pram to
try and collect food at the farms. I was 15 years old. My mother was 43
and the neighbor, I think 40 years old. How is it possible, with a pram,
to transport food. We were full of good intentions but had no idea where
we would run aground.
First we went past Soesterberg,
then we passed the concentration camp "Amersfoort", and after having
passed that we thought shortly the farm will come in view and the we
will see the potatoes, load up en then quickly return home.
Unfortunately, everything had been raided already so we kept plodding
further and further away from home. WE arrived in a small place called
Putten. Everything was deserted there. IT was totally depopulated
because, in a razzia, the Germans had rounded up all the men as reprisal
because the Resistance had murdered a German officer. I can't remember
in how many dark holes we had slept but it seemed endless and nowhere
was there anything to get. Unwashed and neglected we walked in the
streets. The winters were cold and I walked without shoes.
Eventually, we arrived somewhere
near Raalte. There we had some luck and got a bag of potatoes and some
rye. One thing I'll never forget. We arrived at a monastery which
appeared very mysterious; especially, for a boy who isn't Roman
Catholic. The head man was allowed to talk to us. He took care of our
feet, we were given food and assigned a cell for us to sleep in. I felt
terribly uncomfortable because there were statues all over that cell and
I was afraid to look. In the night I had to go to the toilet but had no
idea where that was. I went into a corridor and nearly collapsed in
fear. Monks in monks frocks hurried through the corridors and no-one
answered my questions. I didn't know that they weren't supposed to talk.
In desperation I took and used a large vase. Later on I found out that
they went to a chapel as they prayed a lot.
I can't remember how we got home
again; except that in Apeldoorn we slept in something that looked like a
school. Everyone was packed together in hay, close together and in the
morning we got mashed potatoes and red cabbage. When we got home we hade
to share the potatoes and rye that we had collected. There wasn't much
left over for us.
Later, in January 1945, I went
with my 13 year old brother on the track to Apeldoorn. We walked 45 km
in one day. We walked to Apeldoorn via Zeist, Amersfoort, Barneveld,
voorthuizen en Nijkerk. That was then a main road and allied planes shot
at everything that moved. (At the time one arrived at the Juliana
Tower in Apeldoorn. It's now a minor road.) We arrived at relatives of
my father. That's where for the rest of the war we were well taken care
of and we stayed there until the Canadians liberated us. I was liberated
in Apeldoorn. It's something to be always remembered when the we saw the
Canadians arrive. I have many good memories from the liberation.
These experiences have made a big
impression on the rest of my life.
Henk Meurs |
Henk Meurs
Stuurt nog meer informatie over het "geheimzinnige" klooster:
De Tweede
Wereldoorlog
De bewoners van abdij Sion
hebben weinig gemerkt van de inval van de Duitsers in ons land,
alleen maar wat verre explosies en voorbij ronkende vliegtuigen.
Echte strijd is er hier toen ook niet gevoerd, Salland behoorde
namelijk niet tot onze eerste verdedigingslinie. In de eerste jaren
erna merkte je nauwelijks iets van de bezetting en het kloosterleven
werd niet echt verstoord.
Pater Desiderius vertelt:
"In de oorlog hadden wij naast de kloostermuur ook nog een
maďsveldje. Ik was er met een novice aan het schoffelen toen hij
tijdens een rustpauze voorstelde om wat over het aangrenzende
landgoed de Kranenkamp te lopen. Daar aangekomen zag hij een bootje
in de vijver. De novice wilde heel graag even proberen of hij kon
roeien en vroeg mijn toestemming. We zaten nog maar net in het
bootje toen plotseling onze Abt verscheen. Heel toevallig leidde hij
daar net een groepje dames rond; hij liep voorbij zonder iets te
zeggen maar keek met een afkeurende blik. We schrokken beiden enorm.
De volgende dag was het kapitteldag en ik was voorbereid op een
forse straf. Tijdens dat beraad zei vader Abt:….. moeten jullie nu
eens horen, broeders, wat ik gisteren gezien heb. …..en hij vertelde
het hele verhaal. Gelukkig was zijn oordeel mild en liep het met een
sisser af".
De situatie werd pas echt
anders toen de geallieerden vanuit Frankrijk succesvol oprukten naar
ons land. Op last van de Duitse bezetter moest het
Trappistenklooster ‘de Achelse Kluis’, bij de Belgische grens,
sluiten. Liefdevol werden daarvan 50 bewoners in Sion opgenomen, nu
had abt Gabriël de taak om 110 monniken door deze moeilijke tijden
te voeren. (Eind 1944 werd ook nog de familie Struik, een protestant
gezin met tien kinderen uit Schalkaar waarvan het huis in beslag was
genomen door de SS, in Sion onderdak gegeven.)
Pater Desiderius vertelt:
"Door de afwezigheid van kranten, radio ed. en onze zwijgplicht
waren we nooit echt goed op de hoogte van hoe de oorlog verliep.
Alleen de abt was beter geďnformeerd, want hij had wčl een radio in
zijn kluis. Als er geallieerde successen waren, vertelde hij het ons.
Wij konden en mochten onze blijdschap dan enkel tonen met een simpel
handgebaar en een klopje op ons hart".
"In de laatste winter van de
oorlog verschenen er bij ons aan de poort duizenden ‘etenhalers’ uit
het westen. Het was onze eer om ze nooit teleur te stellen, al gauw
kon dat alleen nog na verdere beperking van ons eigen karige eten.
Deze mensen hadden om bij ons te komen vaak enorme afstanden gelopen
waardoor hun voeten soms helemaal stuk waren en wij moesten ze dan
verzorgen."
De situatie gaf steeds meer
aanleiding tot zorgen; tot twee keer toe heeft de gemeenschap na een
bevel van de Duitsers op het punt gestaan om klooster Sion te
verlaten, maar vader Abt heeft het gelukkig kunnen verhinderen.
Gevaar voor uitzetting bleef echter steeds aanwezig en het maakte de
kloosterlingen bang voor wat hen te wachten stond. Ook omdat vanuit
Schoonheeten steeds vaker de beruchte V1’s werden gelanceerd, die
langs Sion richting Deventer vlogen. De eindbestemming behoorde de
belangrijke geallieerde haven Antwerpen te zijn, maar ieder wist dat
deze vliegende bommen nog wel eens eigenwijs konden doen.
Vlak voor de bevrijding werd
het nog extra spannend, want de Duitsers hadden in de toren van de
abdij een radio- en luisterpost ingericht. Ook omdat Duitse soldaten
zich op het laatst dicht bij het klooster hadden ingegraven en met
granaten de oprukkende Canadezen bij de Raalterweg bestookten,
bestond het gevaar voor een geallieerd bombardement en daarom
sliepen de monniken toen in de kelders van Sion. Uiteindelijk kwam
het niet tot een grootschalig treffen en gelukkig trokken de
Duitsers midden in de nacht van 10 op 11 april weg over de
landerijen van Sion, via - wat nu de Bevrijdingsweg heet - richting
Olst en daarna de IJssel over.
Pater Desiderius vertelt:
"Al in de vroege morgen reden Canadese tanks in colonne naar onze
poort. Vader Abt liep ze blij maar waardig tegemoet gevolgd door de
hele communiteit. De commandant van de brigade sprong van de voorste
tank, boog en kuste de ring van abt Gabriël. Wat was dat een
verschil in beschaving ten opzichte van dat rommelige zootje
Duitsers van de laatste maanden, die alleen maar hadden gegrauwd en
gesnauwd! Wat waren wij opgelucht en blij! De gehele buurt van de
Kranenkamp genoot daarna met ons van hun chocolade en sigaretten".
|
Henk Meurs
followed up with more information about that "secretive" cloister.
The Second World War
The residents of the Abbey Sion
never noticed much about the invasion of our country by the Germans,
except for some distant explosions and noisy airplanes passing overhead.
Their never were any real battles in the area because Salland was not in
the country's first line of defense. In the first few years there was
nothing noticeable of the occupation and the live in the cloistered
environment was never really disturbed.
Father Desiderius recalls: "During
the war we had next to the cloister wall a field planted with corn. I
and a novice were weeding the field. The novice proposed that we go for
a walk on the nearby estate called Kranendonk. When we arrived there we
saw a small boat on the pond. The novice really wanted to try his hand
at rowing and asked my permission. We had just stepped in the boat when
we saw the Abt appear. Quite coincidentally he was showing a group of
women around; without saying a word he passed us by but he threw us a
disapproving look. We both were very startled. The next day it was "kapittel"
day on which all were to be lectured to and I had prepared myself to
receive a large punishment. During the lecture the Father said to us:
"Now you listen to me, brothers, to let you know what I observed
yesterday" and he told us the whole story. Fortunately, his sentence was
light and we were let-off very easy.
The situation only started to
change when the allied advanced from France to our country. On the order
of the German occupier the "Trappisten" cloister the "The Achelse Kluis"
near the Belgian border had to be closed. With compassion Sion accepted
the 40 displaced monks. Now, Abt Gabriel had the task to feed 110 monks
during these difficult times. By the end of 1944, Sion had also provided
accommodation to a protestant family with ten children from Schalkaar
after their residence had been confiscated by the Germans.
Father Desideriius continues: The
absence of newspapers, radio etc. and our pledge of silence were not
conducive to us to keep well informed about the conduct of the war. Only
the Abt was better informed because he had a radio hidden in his vault.
When there were Allied successes, he would tell us. But we could not and
were not allowed to show our elation other than with a simple hand
signal and placing our hand on our heart.
"In the last winter of the war
thousands of "food gatherers" arrived at the entrance porch. It was an
honor to never disappoint them but after a while we could keep this up
only after curtailing our already meager meals. The people that arrived
here usually had covered great distances. Often their feet were open and
hurting and then we had to look after them."
The situation gave rise to more
and more worries; on two occasions at least was the community on the
verge of being evacuated on the order the German occupier. But
fortunately Father Abt has been able to prevent that. The danger of
forcible eviction was always present and the monks were always scared of
what awaited them.
Schoonheeten was one of the places
where launching pads for the infamous V1s were located. Once launched
they would fly past Sion in the direction of Deventer. The destination
of these flying bombs was the harbor of Antwerpen in Belgium which, by
that time was in the hands and used by the Allieds. These often did a
lot of damage.
Just before the liberation the
situation became very tense because the Germans had established a radio
communications and listening post in the tower of the abbey. Also,
because the German soldiers had built fortification right up against the
cloister and from there keep up the artillery on the advancing Canadian
liberators. That could invite a Allied bombardment and that's why the
monks slept in the cellars of the cloister. Fortunately, it did not come
to an all out shooting party as the Germans withdrew in the middle of
the night between April 10 and 11, 2007. They escaped from the grounds
of the priory via, what is now called the Liberation Road, towards Olst
and the across the IJssel river.
Father Desiderius concludes:
"Already in the early morning the Canadian tanks in convooi approached
our front gate. Father Abt walked happily but dignified, with the whole
community following, towards the liberators. The commander of the first
tank jumped down, made a bow and kissed the ring of Abt Gabriël.
It was a display of courtesy and friendship that was so different from
the behavior of the undisciplined German troops that had been around the
abbey during the last few months. They had cursed and abused all around.
What were we relieved and happy. All that lived in the Kranenkamp area
enjoyed, together with us, the chocolate and cigarettes given to us by
the liberators.".
|
|

Hierbij een luchtfoto van hetklooster Sion waar ik
(Henk Meurs) met mijn
Moeder in 1944 zo goed ben ontvangen.
Het adres: Abdij Sion, Vulikerweg 6 te Diepenveen
|

|