|
Belevenissen met Hongertochten oktober
’44 – april ‘45
In mei 1940 heeft de Rotterdamse Vakantie School
(RVS) een aantal ‘Rotterdamse Bleekneusjes’ uitgezonden naar het
boerenland. Ik mocht ook mee.Ik kwam terecht op de boerderij van de
familie J. Klei in Vorchten, een klein dorpje bij de gemeente Heerde.
Het dorpje ligt tegen de IJssel aan, tegenover Wijhe.
De familie Klei bestond uit een man, vrouw en zes
kinderen. Zij bewoonden een grote boerderij. Een zogenoemd gemengd
bedrijf met veeteelt, landbouw en fruitteelt.
De volgende jaren ging ik tijdens de vakanties
altijd naar Vorchten. In ’44 was er geen treinverkeer meer mogelijk dus
kwam het er niet meer van. Ondanks herhaaldelijk aandringen mocht ik van
mijn ouders niet alleen die reis op de fiets maken. Dat
was heel begrijpelijk. Ik was pas vijftien jaar.
In oktober ’44 gingen een zuster van mijn moeder
en een vriendin ook eten halen. Met hen mocht ik wel mee. Mijn ouders
wisten niet dat zij niet verder dan Amersfoort gingen en daar zouden
overnachten. Ik ging mee op een fiets met massieve banden (gemaakt van
repen autobanden) tot Amersfoort en daarna ging ik alleen verder.
Vraag niet hoe ik de boerderij in Vorchten heb
gevonden, maar ik ben er gekomen. Tot grote verbazing van mijn ‘tante’
die melkbussen aan het wassen was, viel ik daar zo’n beetje van mijn
fiets. Doodziek was ik, maar ik werd liefdevol door de familie opgenomen
alsof ik een eigen kind was. Al snel hielp ik alweer met kleine klusjes
op de boerderij en daarna hielp ik met allerlei klussen op het land.
Ik had ook een paar vaste taken. Er kwamen in die
tijd veel etenhalers. Bij ons viel niets meer te halen, dus stroopten de
etenhalers de omgeving af. Oudere mannen, die niet waren opgepakt om als
slaven in Duitsland in de oorlogsindustrie te werken, jonge jongens en
veel vrouwen.
De brug bij Zwolle was voor hen te link om over te
steken. Er waren soldaten bij de brug en ook ‘Jan hagel mannen’. Wij
noemden deze lui zo. Zij droegen een soort uniform en waren gewapend met
de een jachtgeweer. De Jan hagel mannen liepen ook wacht.
De etenhalers liepen bij de boerderij langs om te
proberen via het trekpontje in Wije te komen. Hun vervoermiddelen waren
onder andere: handwagens, fietsen en kinderwagens. Ook bij het pontje
stonden zo nu en dan Jan hagel mannen.
Vele malen bleven er etenhalers op de boerderij
overnachten. Soms vier, soms zes en ook wel eens tien personen. Velen
droegen kleding die in zeer slechte staat was. En dat bij het koude en
natte weer! Sommige mensen waren door de nare omstandigheden waarin zij
verkeerden behoorlijk vervuild. Zij konden zich dan in het bakhuis, met
warm water uit de fornuispot, wassen. Dat werd erg op prijs gesteld.
Mijn taak was om te zorgen dat de etenhalers in
het stro konden slapen. Ook moest ik hun persoonsbewijzen en eventueel
lucifers innemen. Het innemen van de persoonsbewijzen was een gevolg van
het door etenhalers meenemen van een jas! Tevens moest ik ’s nachts de
boel een beetje in de gaten houden. ’s Morgens kregen de etenhalers voor
hun vertrek nog te eten. Allemaal voor nop!
De familie Klei en met hen nog vele anderen,
verdienen hulde. Zij hadden vaak ook meerdere onderduikers en dat was
levensgevaarlijk.
Wat ik mij ook nog herinner is het volgende. Bij
de boer werd zo nu en dan een varken geslacht. Dit gebeurde clandestien
door een slager uit Heerde. Als dat zo uitkwam, konden trekkers dan,
tegen een geringe vergoeding, een worst of een stuk spek bemachtigen. Ik
weet van een vrouw die zo’n worst op haar buik had gebonden, onder haar
corset. Ze was bang dat de worst haar, op weg naar huis, afgenomen zou
kunnen worden. Ook herinner ik mij een man die een stuk spek in plakken
sneed en het zo op zijn buik vervoerde!
J. Molenaar
Jan van Goerlstraat 12
4209 CE Schelluinen
Dit zijn mijn
belevenissen in een notendopje. Wij gingen na de oorlog nog vaak naar
Vorchten. Ook mijn vader en moeder gingen daar met vakantie naar toe en
later gingen wij met onze kinderen een dagje naar de boerderij.
|