|
De grote prijsvraag!
Wij plaatsen
hieronder het bekroonde opstel, hetwelk, zoals u weet, door mej. Leny vd
Panne onder het pseudoniem ‘Breakdown’ werd ingezonden:
Het is nu
ongeveer twee en een half jaar geleden, maar ik kan het mij nog als de
dag van gisteren herinneren. Het was een dag als alle andere dagen, toen
mijn vriendin en ik op de fiets vertrokken. De sneeuw daalde uit de
hemel en legde een smetteloos wit tapijt voor ons neer. Ach waren het
maar andere omstandigheden geweest, waarin we verkeerden, dan hadden wij
zeer zeker oog voor dit schoons gehad; nu echter hadden wij maar één
gedachte, nl. voedsel halen, voor onze huisgenoten en onszelf. Dagenlang
hadden wij gewacht op het stoppen van de sneeuwbuien, die door de
strenge vorst aan de straten vastplakten, de wegen hierdoor glad en dus
onveilig maakten.
Maar nu
konden we niet langer wachten, het was de hoogste tijd om te gaan. Onze
reistassen gevuld met ruilmiddelen, zelf goed ingebakerd, ons rantsoen
voor de hele week mee, stelt u zich voor, een half broodje zo maar in je
handen, helemaal van je zelf, dat je echt alleen mocht opeten, welk een
geluk!!! En dan als extra, extra rantsoen een gele beschuitbus, gevuld
met bruine bonen die enigszins hard waren. (Maar deed uw noodkacheltje
het altijd even best?)
We fietsten,
vielen door de gladheid op de grond, reden weer verder, rustten wat om
heel stil, nog steeds in de sneeuw, even te genieten van een paar bruine
bonen en een stukje brood, alles misschien nog wel meer dan 32 maal
kauwend. We arriveerden in Utrecht, nadat we negen uur geleden uit
Rotterdam vertrokken waren. Dit was nog niet ons einddoel voor deze dag,
daar wij een adres in Zeist hadden om te overnachten. Welk een
verrassing, toen wij een uitnodiging kregen van onze gastvrouw in Zeist
om ’s avonds mee te eten. Wij gingen met een goed gevulde maag naar bed
en lagen weldra in ‘Morpheus’ armen. De volgende morgen vertrokken we,
heerlijk uitgerust en weer met goede moed. Wat waren wij nog rijk bij de
andere mensen vergeleken. Wij hadden de nacht in een heerlijk bed
doorgebracht, wij hadden nog heerlijk gegeten, maar bovenal, wij hadden
nog een fiets. Ja, vergeleken bij al die mensen, die met eigen gebouwde
karretjes, kinderwagens en handkarren, doodvermoeid en uitgehongerd,
achter diverse vervoermiddelen sjokten, waren wij zeker rijk.
Hoeveel
huismoeders liepen daar, vergezeld van hun oudste zoon of dochter,
bedelend om voedsel om de steeds vragende mondjes open te houden van
haar kroost dat ze hadden achtergelaten. Dagen bleven zij soms weg,
trokken vaak helemaal naar Friesland, om, als hun wagentje volgeladen
was, weer naar huis te keren, steeds maar met angst in het hart, of hun
dit eten onderweg niet door de vijand afgenomen zou worden. Zo fietsten
wij colonnes van deze dappere vrouwen voorbij, naar ons eigen doel. Wij
hadden namelijk nog een boeren kennis in Lunteren, ik geloof dat dit in
deze tijd meer waard was dan goud.
Het was de
bedoeling om bij onze boer enige dagen te verblijven, om vandaar uit
boeren in de omtrek te bezoeken en met hen een en ander te ruilen voor
alles wat maar een beetje op eten leek. Nu, het is ons werkelijk
reusachtig gelukt en met onze trekkerstassen, gevuld met rogge en tarwe,
hebben wij de terugtocht aanvaard. Het plan was om twee dagen over de
terugtocht te doen, dit is echter vier dagen geworden. Het was namelijk
reusachtig gaan sneeuwen en stormen, enige dagen lang, zodat wij alles
moesten lopen, daar wij met de fiets omver geblazen zouden zijn. Wij
overnachtten in scholen, speciaal voor dit doel opengesteld, en tornden
de volgende morgen weer lustig tegen de sneeuwstorm op. De laatste nacht
verbleven wij in een klooster dicht bij Utrecht. We klopten om zes uur
aan de deur. In de grote zaal, waar de vloer bedekt was met stro, werden
we binnen gelaten met onze fiets en bagage. Deze fietsen werden bij
ongeveer 70 andere fietsen geplaatst van reeds aanwezige mensen. Er
waren al heel wat personen aanwezig, die, verkleumd van kou, zich allen
om een grote kachel schaarden, die in het midden van de zaal stond en
zuinig brandde. Wij voegden ons bij onze lotgenoten en verwarmden ons zo
goed en zo kwaad als het ging, zochten daarna een plaatsje in het stro
om even uit te rusten van de vermoeienissen van de dag. Na een uurtje
was de zaal gevuld en werd de kloosterdeur gesloten. Een grote kroon met
kaarsen werd aangestoken en de mensen, die nog iets te eten hadden, aten
hun karig voedsel. Er werk gepraat en gelachen en verhalen over en weer
verteld over de belevenissen van de afgelopen dag.
Een rasechte
Amsterdammer speelde op een banjo en zong liedjes in zijn eigen taaltje.
Een Haags meisje trad naar voren, ging in het midden van de zaal onder
de kroon staan, vroeg even stilte en zong toen met een prachtige,
glasheldere stem het Nonnenchor uit Casanova. Dit lied, dat zo vaak
gezongen wordt voor de radio, bij de piano enz., heeft nog nooit in mijn
leven zo’n grote indruk op me gemaakt, als juist op dat moment. Al deze
mensen, die toch vreemd voor elkaar waren, waren op dit moment muisstil
in de zaal en iedereen had dezelfde gedachte. Het ‘breng toch Heer,
vrede weer’, was als een smeekbede, die omhoog gezonden werd. Na afloop
van het lied werd niet, zoals gebruikelijk, geapplaudisseerd, doch
iedereen was stil, vele oudere mensen stonden met tranen in de ogen.
Mensen van verschillend geloof, van alle rang en stand, stonden hier
naast elkaar, bezield door één gedachte; het is werkelijk een
onvergetelijk moment geworden.
Er werden nog
enige liedjes gezamenlijk gezongen, doch langzamerhand begaf iedereen
zich toch op zijn strobed. Midden in de nacht werden wij gewekt door
iemand, die tegenover zijn buurman nogal hardop beweerde, dat de
sukkerbieten veel beter smaokten, wenneer je ze eerst schraopte, daorna
kookte. (Ja, lezer, deze mijnheer woonde inderdaad ergens in de buurt
van Amsterdam.) Wij ontwaakten om drie uur in de morgen, vertrokken om
half vier, kwamen na veel wederwaardigheden nog dezelfde dag in
Rotterdam aan, waar we door onze huisgenomen met gejuich begroet werden,
dat begrijpt u.
Breakdown. |
(translation needed) |