Naar Almelo,
Waarom?
In 1942 ben ik uitgezonden
geweest naar Oldenzaal. Ik zou voor 6 weken gaan, maar dat werd
langer. Ik ging er op school en had er een fijne tijd. In zomer
vacantie mocht ik altijd terug naar mijn moeder in Rotterdam.
In 1944 kon ik niet meer
terug naar Oldenzaal dus moest ik in Rotterdam blijven. Er was haast
niets te eten. Ik besloot, ik was pas 12 jaar, om weer terug te gaan
naar Oldenzaal. En maar lopen. Mijn broer, die toen doof was, en erg
op mij gesteld was, nam ik mee. Mijn moeder lag de vloer te
vegen, toen ik zei, "Nou, wij gaan
weg. Ik blijf hier niet langer''. "Dag
ma'', zei mijn broer (14 jaar) en "Dag
ma'', zei ik ook. Mijn moeder zei niets.
Toen wij de straat uit
liepen stond daar mijn tante, die overal van af wist. Haar had ik het
allemaal verteld. "Kom zus'',
zo noemde ze mij, "Ome
Bram heeft een hele lijst gemaakt hoe je moet lopen. Ga nooit door
een stad, daar is geen eten, maar er altijd omheen.'' Ik
kreeg ook 10 gulden, maar zei ze "alleen
in een noodgeval mag je die uitgeven''
De reis begon over de
Binnenweg, op weg naar de Oudedijk. Vandaar naar de 's Gravenweg.
Wat was die lang. Daarna ben ik het kwijt. Ik denk dat ik bij
Haastrecht voor het eerst heb geslapen in een schuur. Eten bedelde
wij bij de boeren. Soms kregen wij wat, ook wel eens niets. Maar ja.
In de omgeving van Benschop zijn wij een paar dagen bij een
boerengezin geweest. Ik moest helpen in de huishouding en mijn broer
op het land. Maar wij kregen eten en in het hooi bij de koeien was
het goed slapen. Dan weer verder, want wij moesten naar Twente.
Onderweg eten gevraagd bij een boer, maar wij kregen niets.
Er kwamen er zoveel. "Bedelaars'' zei
die mevrouw.
Mijn broer, die dat alles
niet begreep, zei "het is vast
een NSB'er''. Wij liepen verder toen die boer achter ons
aan kwam rijden. Ik was zo bang dat ie het gehoord had, dat ik begon
te huilen, en zo hard heb gelopen. Maar ja, de boer haalde ons in, die
was op de fiets. Hij zei "Waarom
lopen jullie nou zo hard? Hier heb ik toch wat te eten voor jullie''.
Wij kregen ieder een pakje brood. Oh, wat waren wij blij.
Onderweg, ik weet niet meer
waar, in een schuur slapen, maar nu, boven de koeien in het hooi.
Heerlijk, maar het onvermijdelijke gebeurde; ik viel in mijn slaap
naar beneden boven op een koe, en "huilen''. Ik ben opgestaan en
weer naar boven geklommen. 's Morgens eten gehad en toen weer op weg.
Nu de weg van Amersfoort naar Apeldoorn op. Wat een nare weg was dat.
De huizen waren allemaal leeg en er stonden allemaal doodskoppen
langs de weg. Mijn broer vroeg wat dat betekende. Ik zei,
"dat is een lange begraafplaats''.
Wist ik veel.
Na een tijd gelopen te
hebben kwam er een Duitste auto aan die toeterde en ging ons voorbij,
maar even verder stopte de auto. Er kwamen soldaten uit en wij
moesten instappen. Zo, dat was fijn. Hoeven we niet verder te lopen.
Na een poosje gereden te hebben stopte de auto ineens en alle
soldaten sprongen er uit. Wij niet. Een of twee soldaten kwamen
terug hollen, pakte ons beet en smeten ons in een kuil langs de weg
en ging toen over ons heen liggen. Er kwam een vliegtuig over, die
doorzeefde heel de auto. Er kon niet meer gereden worden. De auto
stond in brand. De Duitsers stonden druk te praten. Wij verstonden
er niets van en wilden weer doorlopen, maar een duitser zetten mij
op zijn nek en gingen weer in rijen staan en wij konden mee. In de
buurt van Apeldoorn was een kazerne. Daar gingen wij heen. Wij
werden eerst gewassen en kregen iets van pyama's aan en mochten in
de keuken bij een kachel zitten. Toen kregen wij eten. T'jonge wat
een feest was dat en toen mochten wij in een bed slapen en bovendien,
wij hadden lakens. Daar hadden wij nog nooit onder gelegen.
Geslapen dat wij hebben. 'S
morgens was ons goed gewassen en gedroogd. Dus aankleden en eten.
Wij kregen ook van die kok een pakje brood mee voor onderweg. Niet
alle Duitsers waren dus zo slecht. Weer verder naar Oldenzaal. Mijn
voet ging zo zeer doen. Mijn klomp was gescheurd en daar ging steeds
het velletje van mijn wreef tussen. Het ging steeds langzamer dat
lopen. Ik huilde steeds, maar ja, we waren al zover dus doorgaan. Na
hoeveel dagen kwamen wij bij de ijssel? Die moesten wij over. Maar
daar stonden twee duitsers en wij mochten niet verder. Wij zijn
terug gelopen naar het dichts bijzijnde dorpje en, ja hoor
Twello kwam inzicht. De pastoor van de kerk bracht ons naar een
gezin en daar konden wij slapen. Wij gingen eerst nog naar de
Linthorst fabriek daar kregen wij een heerlijk stuk worst. Toen wij
geslapen hadden gingen wij weer de kant van de brug heen.
Maar het lopen ging steeds
moeilijker, mijn voet was zo opgezet en zat behoorlijk te zweren.
Maar mijn broer zei op je tanden bijten we moeten eerst de brug
over. Wij vroegen bij een Mevrouw om eten en die bekeek ons eens en
zei, "oh nee, jullie gaan zo niet verder. Die voet moet eerst
verzorgd worden. Dat heeft ze ook gedaan. Mijn klomp werd gemaakt
met een ijzer bandje er om en mijn voet met kalkwater. Wij zijn daar
een poosje gebleven. Ergens in die buurt werden telkens VI
afgeschoten dat was zo eng het deed ons denken aan het bombardement
van Rotterdam. Het was op een morgen dat weer een VI werd geschoten
en die kwam over ons huis heen ketsten in de voortuin tegen de grond
ging weer omhoog en aan de andere kant van de weg boorde die zich in
de slaapkamer van die boerderij. Mijn broer was zo bang die wilde
onmiddelijk weg van hier.
Wij zijn terug gegaan naar
de pastoor en hebben alles verteld. Hij bracht ons naar een klein
huisje. Daar was iemand die ons wel over de rivier zou brengen. Met
een roeibootje zijn wij gegaan naar de overkant. Het was donker maar
ik weet niets meer; was het laat in de middag of 's morgens vroeg.
Wij zijn Deventer niet ingegaan want dat mocht ik immers niet van
mijn tante. Ik weet wel dat ik in Holten ben geweest en in Wierden.
Wij liepen over een boeren
weg en toen daar een paard en wagen aankwam hoorde ik een harde stem
roepen, "Krijg nou wat, daar lopen mijn nicht en neef, Zus en Joop".
Wat doen jullie hier en waar ga je heen? Wij hebben verteld dat we
naar Oldenzaal wilde gaan. Nou, zei die baas, "ga maar met ons mee
op de wagen; wij zien wel." Wij waren in Geesteren. Toen wij
bij die mensen waren, daar was mijn neef in huis, kwamen er nog meer
mensen binnen. Gekrakeel, allemaal praten ze door elkaar en dat in
het Twents Ik kon er niets van verstaan. Een vrouw ging op de
fiets weg en kwam wat later terug met nog een dame op de fiets. Er
werd op mij gewezen voor haar is al een plaats ga maar mee. Ik ging
achter op de fiets mee naar tante Trui Ten Velde. Daar waren kleine
kinderen die gingen om mij heenstaan. Tante Trui keek mij eens aan
en zei wat moet ik daar nou mee. Ik begon te huilen want toen pas
was ik mijn broer kwijt door al die drukte had ik dat vergeten. Waar
hij naar toe gegaan was hoorde ik pas na de oorlog. Hij was naar
Losser gebracht.
Tante Trui was erg goed voor
mij. Ik kreeg ook schoenen die kreeg zei in ruil voor eieren. Ik
speelde en zorgde voor de kinderen. Kleine Jantje was de jongste. Ik
weet niet meer of Jantje al geboren was toen ik kwam of dat hij nog
geboren moest worden maar dat ik hem lief vond is zeker. Na een paar
dagen kon ik ook met iemand mee naar wat ik onderweg hoorde naar de
Barones. Wij moesten even wachten in, naar ik mij herinner, een
grote hal toen kwam iemand ons halen. Een dame zat op een stoel en
zei, "gaat het om dit meisje?" Draai je eens om, er werden wat
vragen gesteld waar ik vandaan kwam en dergelijke en toen gingen wij
weer weg. Na een paar dagen konden tante Trui en ik naar een winkel
gaan
en ik kreeg wat nieuwe kleren. "Van de Barones" zei Tante. Soms ging ik
naar het huis waar mijn neef was, daar was het altijd gezellig. Wij
deden ergens in de deel met een dorstvlegel graan los slaan dat ging
gepaard met lachen en ook veel met muziek. De baas deed dan op de
mondharmonika spelen en dan gingen wij dansen.er waren meer jonge
mensen daar.
Zo zijn wij de laatste
maanden van de oorlog door gekomen tot op een dag er Duitse soldaten
over de weg gingen op een motor soms met zijspan wel met 5 man
tegelijk. Er kwam ook een motor ons erf op. Tante Trui ging met de
kinderen naar buiten. Zij was zo bang. Ik ben toen met die soldaat
naar de deel gegaan want zij wilde spek en hammen hebben. Kort nadat
de Duitsers weggereden waren kwamen er andere auto's over de weg.
Die zetten toen allemaal kisten langs de kant. Het waren onze
bevrijders. Het verhaal ging al snel dat je eieren voor chocola kon
ruilen. Nou dat wilde tante Trui wel - chocola voor de kinderen.
Toen kwam de praal wagens; wat vond ik dat mooi. Een wagen had wel
erg mijn aandacht, de wagen van de witte heksen maar wat zongen ze
nou?Waarschijnlijk heeft dat grote indruk op mij gemaakt want ik kan
dit versje nog :
Wij
zijn de witte wieven,
Uit wijdt tubanten veld,
In donkere diepe hole,
Waar wij in zijn verscholen ,
werd ons in de vree gemeld
En naast de vree de vrijheid,
Dat is ons hoogste goed,
Wij lieten ons niet knechten',
maar bleven dapper vechten
Dat
zit in't Twentse bloed,
Wij zijn zeven maal verbrand,
Zeven maal bedolven onder 't zand,
Maar nooit heb ik geweten,
eens aangebrande pap te eten
Daarbij stond die heks in
een grote zwarte pot te roeren. Ik ben nog een paar weken bij de
Fam. Ten Velde gebleven. Toen ging ik weer terug naar Rotterdam. Hoe
ik gegaan ben met auto of paardenwagen dat ben ik kwijt
Inge
Roggeveen - Vat . Rotterdam
|
Towards
Almelo, Why?
In 1942
I had been sent out to Oldenzaal. It was intended that I would go for
six weeks but it turned out to be longer. I went there to school and had
a good time. And, duroing the summer vacation I was always allowed to go
home to my mother in Rotterdam.
In 1944 it was impossible for me
to return to Oldenzaal so I had to stay in Rotterdam. But there was
hardly anything to eat. I decided, and I was only 12 years at the time,
to somehow return to Oldenzaal. And that was all walking. I took along
my brother, who then was deaf, and who really liked me. My mother was
down on her knees cleaning the floor and I said, "Well, we are leaving.
I'm not going to stay here any longer. "Bye, Mum" said my 14 year old
brother. "Bye, Mum", said I but she didn't reply.
When we left our street my
auntie, who knew about the plan, was waiting on the corner. I had told
her everything before. Antie said, "Come, Sis", that's how they called
me, "Uncle Bram has made along list of the road to take to get there.
Never go into cities, there's no food there, walk around them." She gave
me also ten guilders but she said, "You may spend this only in extreme
emergencies."
The journey started crossing the
Binnenweg and then on the way to de Oude Dyke. What was that a terribly
long distance. What happened there after is lost in my memory. I think
that it wasn't until Haastrecht dat we slept and than in a barn. We
begged for food at the farms. Sometimes we got something and sometimes
nothing. That's the gamble. Near Benschop we stayed with a farmer's
family for a few days. I had to help in the household and my brother on
the farm. But we were given food and in the hay with the cows, the
sleeping was good. Then underway again because we aimed for Twente.
Along the way we asked for food at a farmhouse but didn't get anything.
Zo many people cam by. "Beggars" said the lady of the house.
My brother, who didn't
understand it all, said, "They are certainly NSBs."
(Collaborators with the Germans.) We walked on but then we saw that the
farmer was following us. I was so scared that he had heard it that I
started to cry, and we accelerated our pace to keep ahead of the farmer.
But, yes, the farmer caught up with us because he was on a bicycle. He
said, "Why are you walking so fast. I've got some food for you here."
Both of us got a packet with sandwiches. We were so glad.
Along the way, I don't know
where anymore, we again slept in a barn but this time on a loft above
the cows. Great but what could have been expected happened: In my sleep
I had fallen down and landed right on top of a cow - and crying.
However, I got up again and climbed back on the loft. In the morning we
were fed and we were on our way again. This time it was the road from
Amersfoort to Apeldoorn. What a miserable road that was. All the houses
were empty and along the way there were many sign with the skull and
crossbones. My brother asked me what it meant. I told him, "It's just a
very long cemetery." I had no clue what it was.
After we had walked for a long
time, we were overtaken by a German lorry that honked its horn but a
little further on it stopped. German soldiers came out and we had to get
in. So that was easy because we didn't have to walk anymore. After
haven drive for some time the lorry suddenly stopped and all the
soldiers jumped out. Not us but two of the soldiers came running back,
grabbed and dragged us along and threw us in a ditch and sheltered us
with their bodies. Seconds later a fighter plane flew over and sprayed
the lorry with bullets. It couldn't be driven anymore and it burst into
flames. The Germans were busily conversing with each other. We didn't
understand a word and we wanted to get underway again. But one of the
Germans put me on his shoulders, they fell into line and they started to
march. Near Apeldoorn was a military barracks and that's where we went.
We were washed, dressed with something that looked like a pajama and we
were allowed to sit in the kitchen in front of a heating stove. Then we
were fed. That was a celebration for us, then we were allowed to sleep
in a real bed - with sheets! That we hadn't experienced ever before.
We slept like logs. In the
morning I clothes had been washed and dried. So we dressed ourselves and
ate. The cook gave us a parcel with bread for underway. It showed us
that not all Germans were that bad. Then onwards to Oldenzaal. My foot
started to hurt. My wooden shoe had cracked and the skin of my instep
got pinched. So, walking went slower and slower. I cried all the way but
we had gotten so far already. How many days would it take to get to the
IJssel? That's where we had to cross the river. But when eventuallly we
got there the bridge was guarded by two German sentries and they
wouldn't allow us to pass. We were forced to turn around and went to
find the nearest village and, yes, Twello came in sight. The pastor of
the church took us to a family and the we could stay for the night. But
on the way we had stopped at the Linthorst food processing plant and
were given there a nice piece of sausage. After we had slept we went
once more to the bridge.
Walking had become very
difficult . My foot had swollen and had become badly infected. My
brother said, "just bite your teeth" because we first had to get over
the bridge. WE met a lady and asked her for food but she said, "Oh no! I
wont let you go any further. That foot first has to be taken care of."
That's what she did first. My foot was put into calcium water. The
wooden shoe was repaired with a small metal band. WE stayed there for a
few days.
Somewhere in the area, al the
time they were shooting of the V1s. It was so scary that it made us
think of the bombardment of Rotterdam. One morning when another V1 went
on its way, it went directly over the house where we were staying,
bounced in our front yard, it went up again and after having crossed the
road drilled itself into the bedroom of a farm. My brother was so scared
that he wanted to leave immediately.
We went back to the pastor and
told him everything. He took us to a very small house. There lived
someone who would take us across the river. And yes, we were taken
across the river in a small rowboat. It was very dark and I can't
remember, was it late in the afternoon or very early in the morning? We
didn't enter Deventer because that's what auntie had forbidden. But I
can remember that we were in Holten and Wierden.
We were walking on a farmers
road and when a horse and wagon approached we heard a loud voice say, "Get
now something, my nephew and niece, Zus and Joop, are walking there."
"What are you doing here and where are you going?" We told them
that we wanted to go to Oldenzaal. "Now" said the bos, "climb up with
us on the cart and we'll see about that." We were in Geesteren. When
we were in the house, where my cousin stayed, more people came inside.
They talked excitedly, everyone talked at once in the Twente dialect. We
couldn't understand a word. One of the ladies left on a bicycle and came
back minutes later with another lady on a bicycle. They pointed at me
and said, "For her we already have a place, come along." I sat on the
bagage carrier and was taken to Auntie Truo Ten Velde. There were
quite a few small children that gathered around me. Tante TRui looked at
me and said,"what am I going to do about this situation." I started to
crij because it was then that I just realized that I had lost my
brother. It wasn't till after the war that I learned that he had been
taken to Losser.
Tante Trui was really good for
me. I was given some shoes that she had obtained through barter for
eggs. I played with and took care of the children. Small Jantje was the
youngest. I can't recall whether he was born already when I arrived or
was born shortly afterwards. But that I loved him was certain. After a
few days I went with someone whom they called the "Baroness." We had to
wait, in what I remembers was al arge hall, before someone fetched us. A
lady sat on a chair and said, "Is it about this girl?" "Turn
yourself around." She asked a few questions baour where I came from
and the like, and then we went home again. After a few days Tante Trui
and I could go to a shop. There I was give new clothes. "From the
Baroness" said auntie. Sometimes I went to the house where my cousin
was. It was always a happy time there. (Somewhere near the stable there
was a place whre the wheat stalks got threshed. I helped and there
always was a lot of laughter and music. The "Boss" played the mouthorgan
and we danced. There were more young people there.
That's how we lived and survived
the last months of the war. Then came the day that when the German
soldiers careened all over the road. On motorbikes, sometime with a side
car with up to five passengers. One came onto our farm yard. Tante Trui
went outside with the children. She was so scared. I then talked with
the German soldier who wanted to have cured bacon and hams. Shortly
after the Germans disappeared many trucks arrived that positioned
themselves along the road. They were our liberators! The story rapidly
spread that it was possible to exchange eggs for chocolate. That's
something that tante Trui liked - chocolate for the children. Then
during the celebration there came decorated wagons. They looked so
beautiful. One wagon caught my special attention, it was loaded with
white witches but what did they sing? It must have made a big impression
on me because to this day I can remember the verse:
We are the white wives, from
broad "tubanten" field; In a dark diep hole where we have been hidding
we were told that peace had come. And with that came the freedom, which
is our highest aim. We never were enslaved and kept up the fight. It's
in our "Twentse" blood, we've been burned seven times, seven times
buried under sand, but we've never forgotten that once we ate burned
porridge.
I stayed a few more weeks with the Ten Velde family and then
it was back to Rotterdam. Whether we got back by car of horse and
carriage, I've forgotten.
Inge
Roggeveen - Vat . Rotterdam |
|
Inge had ook nog een kranten knipsel:
Rotterdamse
na 52 jaar terug
bij familie Ten Velde
HARBRINKHOEK
– De thans 65-jarige Rotterdamse Inge Roggeveen-Vat heeft onlangs voor
het eerst een bezoek gebracht aan de Voshaarsweg 1 te Harbrinkhoek
wonende familie Ten Velde. De familie waar ze in het voorjaar van 1944
als 12-jarig kind na tal van omzwervingen terecht kwam en waar ze tot
ver na de bevrijding liefdevol zou worden verzorgd. De hereniging kwam
tot stand doordat Albergenaar Johan Klaassen haar adres op verzoek van
de familie Ten Velde wist te achterhalen. Opsporingen die ongeveer 10
jaar duurden en waarbij een redactielid van het TV-programma Spoorloos
uiteindelijk voor het eerste contact zorgde.
Het is
1941 wanneer de 10-jarige Inge voor het eerst kennis maakt met
Twente. Door de bombardementen op Rotterdam en de door de Duitse
bezetter zeer beperkt toegestane bewegingsvrijheid is er nauwelijks aan
eten te komen. Inge raakt ondervoed en kan door bemiddeling van een
organisatie onderdak krijgen bij de Oldenzaalse familie Kolbrink, waar
ze tot augustus 1943 zal blijven. Ze gaat er zelfs naar school. Wanneer
ze thuiskomt wordt ze wederom geconfronteerd met op dat momen de
grootste vijand van veel mensen, de honger. Temeer omdat haar vader er
in geslaagd is met behulp van partizanen een Russisch
krijgsgevangenenkamp te ontvluchten en naar Rotterdam terug te komen.
Vanwege diens slechte gezondheid op dat moment is extra verzorging
nodig. Dit alles leidt er toe dat ze heimwee naar Oldenzaal krijgt en
ergens in november van het jaar 1943 besluit om samen met haar twee jaar
oudere en dove broer Joop naar Oldenzaal te gaan. Met een briefje van
oom waarin een route is uitgestippeld door kleine dorpjes – in de grote
steden is immers geen eten te krijgen - en een tientje van tante in een
zilveren doosje dat ‘alleen in uiterste nood’ mag worden gebruikt, gaat
het tweetal op pad op het moment dat moeder de vloer staat te schrobben.
Kou:
Ondanks
de kou van dat moment wordt de reis ondernomen in een paar oude veel te
grote schoenen en zonder jas. Een reis waarbij het tweetal steeds op
zoek is naar eten. Bij veel gezinnen krijgen ze onderdak. Meestal wordt
de nacht in de warme stal bij de koeien doorgebracht. Er zijn gezinnen
waar het goed toeven is en waar ze daarom wel een paar weken blijven
voordat ze verdergaan. De weg van Amersfoort naar Apeldoorn, die bijna
hun dood zal worden, zullen ze nooit vergeten. Het is de bewuste
dodenweg waar de Duitsers bijna dagelijks worden beschoten door
vliegtuigen van de geallieerden. Als waarschuwing staan langs de weg om
de paar honderd meter dan ook borden met daarop doodskoppen. Inge denkt
dat het een lang kerkhof is en ziet het gevaar niet. Het tweetal klopt
bij meerdere huizen aan, maar deze blijken allemaal verlaten te zijn.
Dit omdat de bewoners zijn geëvacueerd. Wanneer hen een Duitse
vrachtauto achterop komt met een groot aantal soldaten mogen ze
meerijden. Wanneer de auto echter plotseling stopt en alle soldaten de
zich langs de weg bevindende schuttersputjes in vluchten blijven Joop en
Inge zitten. Twee soldaten keren echter terug en sleuren het tweetal uit
de auto. Wanneer ze zich nog maar net in een putje bevinden wordt de
vrachtauto tot moes geschoten.
Geluk:
Over
geluk gesproken. De soldaten gaan in colonne verder en Inge en Joop gaan
mee. In een kazerne krijgen ze eten, worden gewassen en in bed gestopt.
De andere dag gaan ze verder. Hun kleren zijn dan zelfs gewassen. In de
buurt van Deventer wordt hen het gebruik van de brug over de IJssel
enkele keren geweigerd. Ze belanden bij een familie in Twello. Wanneer
er tijdens het eten echter een V1 in de tuin van de familie neerkomt,
zich weer opneemt en de boerderij aan de overkant compleet vernietigt,
besluiten ze verder te gaan. Met behulp van de pastoor worden ze door
een boer met een roeibootje de IJssel overgezet. Als ze het dorp
Geesteren naderen zien Inge en Joop een neef van hen op een wagen bij
een boer. Het lijkt wel het vinden van een speld in een hooiberg. De
boer brengt hun naar de boerderij van de toenmalige familie Meijer aan
de Delmaweg, waar thans de familie Evers woont. Daar scheiden zich de
wegen van broer en zus. Na bijna een half jaar onderweg te zijn geweest
eindigt de reis uiteindelijk bij de familie Ten Velde, de familie waar
Inge ruim een jaar zal blijven. Broer Joop krijgt onderdak bij een gezin
in Losser.
Mager:
Mevrouw
Ten Velde, door Inge tante Truus genoemd, weet zich de komst van Inge
nog als de dag van gisteren te herinneren. ‘Het was een mager meisje,
dat slechts 63 pond bleek te wegen, op veel te grote klompen en in
kleren die de naam eigenlijk niet mochten dragen’, aldus mevrouw Ten
Velde. ‘Ze kwam onaangekondigd en omdat ik zelf een jong gezin met op
dat moment vijf kinderen had was het eerste wat ik vroeg: Wat mut ik
doar met? Toen buurman Kroezen, die grotere kinderen had, voor goede
kleren zorgde en er bij schoenmaker Hamer schoenen tegen eieren geruild
konden worden, zag ik het wel zitten en kon Inge blijven’. Volgens Inge,
die met haar echtgenoot Rinus een voor hen onvergetelijk weekend in het
Twentse doorbrengt, is tante Truus ondanks haar 81 jaar nog niets
veranderd. Mevrouw Ten Velde dankbaar aankijkend merkt ze op: ‘Ik kende
haar direct terug’.
Herinneringen:
De angst dat
ze in een omgeving die helemaal veranderd is en waarbij haar dierbare
herinneringen aan die tijd zullen worden uitgewist, zijn volgens Inge
aanleiding geweest niet zelf het initiatief tot een hereniging te nemen.
Thans is ze blij dat Johan Klaassen haar adres op verzoek van de familie
Ten Velde, die ongeveer tien jaar geleden wel eens wilden weten wat er
van Inge ‘terecht’ was gekomen, heeft weten te achterhalen. Volgens
Klaassen geen gemakkelijk karwei omdat de thans 81-jarige mevrouw Ten
Velde alleen wist dat ze Inge heette en uit Rotterdam kwam. De
Albergenaar, die in de loop van de jaren ook de adressen van tal van
Amerikaanse en Canadese piloten heeft weten te achterhalen, deed een
oproep in enkele Rotterdamse huis aan huis bladen. Dit bood echter geen
uitkomst. Tot het moment dat Klaassen in 1995 tijdens het opzetten van
een oorlogstentoonstelling in het Tubbergse gemeentekantoor een lijst
onder ogen kreeg met daarop de personen van elders die tijdens de
oorlogsjaren in de gemeente verbleven. Hij stuitte toen op de naam Inge
Vat. Toen hij een tijdje later naar het TV-programma Spoorloos keek en
op de aftiteling een redactielid met de naam Vat ontdekte en deze
opbelde slaagde hij er uiteindelijk in via enkele andere personen met de
naam Vat het adres van Inge te achterhalen.
Herkenbaar:
Omdat ze bang was dat alles veranderd zou zijn, is Inge dan ook
bijzonder blij dat ze niet alleen ‘tante Truus’ direct herkent, maar ook
nog veel herkenbaars in de omgeving terug vindt. Zo is de boerderij van
de familie Ten Velde nog niet veel veranderd. Ook de deel in de woning
van de familie Evers, waar boer Meijer in de oorlog mondharmonica
speelde en waar door de jeugd werd gedanst, is nog in dezelfde staat.
Wanneer met haar een tocht door de omgeving wordt gemaakt ziet ze de
kruidenierswinkel van de familie Oude Nijhuis aan de Haarbrinkseweg. Het
is ‘die winkel met die hoge stoep’ waar ze vroeger met het bewuste
boekje uit die tijd naar toe ging om boodschappen te halen. Wanneer de
hoge stoep er nog is, het interieur van de winkel nauwelijks veranderd
is en zelfs ‘die mevrouw die ons vroeger ook reeds hielp’ nog achter de
toonbank staat kan de dag helemaal niet meer stuk. Er wordt zelfs nog
steeds een pepermuntje weggegeven. Ook wordt nog een bezoek gebracht aan
Huize Almelo, het kasteel waar ze destijds van ‘een aardige mevrouw’
kleding kreeg.
Steun:
Mevrouw
Ten Velde wijst er op dat ze weliswaar ruim een jaar voor Inge heeft
moeten zorgen, maar dat Inge voor haar ook vaak een grote steun was. ‘Ze
hielp mij met het verzorgen van de kinderen en speelde met hen’, aldus
mevrouw Ten Velde. ‘Toen de Duitsers eens een keer een inval deden en
mijn inmiddels overleden echtgenoot een schuilplaats moest zoeken in een
gierkist onder de vloer bleef zij onverstoorbaar. Het leidde er toe dat
de vier bezetters alleen maar een stuk spek meenamen en iedereen met de
schrik vrij kwam’. Omdat de eveneens bij het gesprek aanwezige kinderen
van de familie Ten Velde destijds nog te klein waren om zich maar iets
van haar te kunnen herinneren, wisselen met name de beide dames tal van
herinneringen uit. Het weerzien heeft beiden zichtbaar goed gedaan. Inge
en ook haar echtgenoot voelen zich door het gastvrije onthaal direct
thuis bij de familie Ten Velde. ‘Dit had ik veel eerder moeten doen’
merkt Inge op. Afgesproken wordt dan ook dat de komende jaren over en
weer bezoeken zullen worden gebracht.
Dat het
verblijf in Twente diep in haar geheugen gegrift is bewijst Inge tijdens
het gesprek nog eens doordat ze een tekst op een van de praalwagens ter
gelegenheid van de bevrijding nog uit haar hoofd weet. Deze tekst luidt
als volgt: Wij zijn de witte wijven uit wijd Tubantenveld. In donkeren
diepe holen waarin wij ons verscholen wordt ons de vree gemeld. En naast
de vree de vrijheid. Dat is ons hoogste goed. We lieten ons niet
knechten, maar bleven dapper vechten. Dat zit in het Twentse bloed.
Inge
Roggeveen-Vat
|
(latere vertaling
door Ton van Vugt) |