|
Aad Stans schrijft:
Zoals u vroeg in de Oud Rotterdammer heb ik de tocht naar Overijssel
in januari 1945 ook gemaakt samen met mijn broer. Mijn broer was
achttien en ik zestien jaar. Wij zijn op maandag 9 januari 1945
vertrokken vanuit Rotterdam Zuid. Mijn broer had zich verkleed als
vrouw, maar dat was zo goed te zien dat we halverwege de brug zijn
teruggekeerd en in gewone kleren weer op stap zijn gegaan. Die dag
liepen we tot Oudewater waar we overnachtten in een schoollokaal. Het
was hartje winter, het vroor behoorlijk en af en toe viel er wat sneeuw
dus we waren blij dat we binnen konden slapen. Twee lokalen vol met
‘trekkers’ meest vrouwen met allerlei soorten rijdende wagentjes en
fietsen zonder banden. Één doffe ellende op een hoopje. Er was wat stro
om in te slapen, maar dat lukte maar amper. Eten was er niet. Thuis ook
niet. Wij waren we met z’n tienen dus ja je moest wel op pad.
We
stonden de volgende morgen bijtijds op liepen die dag tot aan Zeist.
Ook daar vonden we onderdak in een school met wat stro en intussen
hoorden we veel verhalen over wat iedereen had meegemaakt en daar
probeerden we wat van te leren. Als voedsel hadden we een korst brood
die we onderweg van iemand gekregen hadden.
De
derde dag sjokten we vol goede moed weer verder door een behoorlijke
laag sneeuw met schoenen die te slecht waren om die naam te hebben. We
waren erg armoedig gekleed. Onze kleren leken meer op vodden, maar dat
was in die dagen geen uitzondering. Iedereen had het arm en liep er zo’n
beetje hetzelfde bij. Er was niets anders dan wat je al jaren had
gedragen.
We
liepen die ochtend tot Woudenberg en probeerden bij een
bakkerswinkel om wat brood te kopen met de rantsoenbonnen die we van
moeders mee gekregen hadden. Helaas waren de bonnen daar niet geldig. De
bakkersvrouw kon ons niet helpen, maar als we achterom naar de bakkerij
zouden gaan, dan konden we daar wat te eten krijgen. Zo gezegd, zo
gedaan. We werden binnengelaten nadat twee blaffende honden waren
verwijderd. In het heerlijk verwarmde vertrek kregen we wat te drinken
en de vrouw vroeg of we trek hadden in wat warm eten. Nou, dat was niet
tegen dovemansoren gezegd! In een tel zette ze twee dampende borden
boerenkool met worst op tafel. We vielen aan als wolven en likten de
borden uiteindelijk brandschoon en onze vingers ook. Intussen waren er
uit diverse schuilhoeken vier onderduikers te voorschijn gekomen. Die
wilden weten waar we vandaan kwamen en hoe het was in Rotterdam. Afijn,
we zaten heerlijk bij te komen. Toen we weer verder wilden gaan zei de
vrouw dat we even moesten wachten want op dat tijdstip van de dag kwam
er altijd een patrouille langs van Duitsers of Hollandse SS-ers die al
die hongertrekkers op mannen van achttien jaar en ouder controleerden.
Dus was het zaak om even binnen te blijven. We wachtten toen nog een
half uurtje, maar ons ongeduld kreeg de overhand en wij gingen de straat
weer op om de tocht voort te zetten.
Op
de kruising Arnhem-Amersfoort zagen we tot onze grote schrik de
bewuste patrouille aankomen uit de richting waar wij heen wilden gaan.
Vervolgens zijn wij als een haas in de richting Arnhem gehold en hebben
daar in het bos een plekje gezocht in een schutters putje. Helaas waren
onze voetsporen in de sneeuw duidelijk zichtbaar! Twee minuten later
stond er een dikke vette mof te schreeuwen ‘eraus mit dir’ bibberend en
sidderend klommen we uit de put en ja hoor, mijn broer van achttien
moest mee!.
Ik
bleef als ventje van zestien achter. Ik ging terug naar de bakkerij
om verslag uit te brengen. Het was een kwestie van één kwartier langer
wachten geweest en we hadden door kunnen lopen. De vrouw vroeg ‘wat doe
je, ga je terug of loop je verder?’ Ik ga terug naar huis want thuis
moeten ze ook weten wat er is gebeurd. Wel, in dat geval kon ik een zak
met oud brood mee krijgen om thuis wat te eten te hebben. Ik zocht een
nachtverblijf om bij te komen van al de emoties en dacht dan de andere
dag naar Rotterdam terug te gaan.
In
het nachtverblijf, weer een school, zeiden de trekkers dat ik gek
zou zijn om terug te gaan en dat ik een briefje moest schrijven over de
gebeurtenissen. Zij zouden dat briefje dan bij mijn ouders bezorgen in
Rotterdam. Volgens hen was ik al over de helft en zat ik bijna in de
voedsel zone. In Rotterdam heerste honger en daar werd je niet wijzer
van! Het briefje werd een week later thuisbezorgd en dat was een grote
schrik voor het thuisfront.
Mijn
broer werd, nadat hij was opgepakt, naar Amersfoort gebracht en
moest daar putten graven op de Leusder heide met nog een vijftigtal
andere mensen die ook opgepakt waren. Een week later wist hij samen met
een Hagenaar te ontsnappen door bij het weggaan van de ploeg in een put
weg te kruipen. Via de bakker in Woudenberg zijn ze langs binnenwegen
weer thuis gekomen.
Ik
ben vervolgens in mijn uppie doorgelopen tot Garderen en kreeg tot
mijn schrik geen onderdak omdat ze daar een NSB burgemeester hadden die
trekkers maar zwarthandelaren vond en voor dat soort lui geen plekje ter
beschikking stelde.
Gelukkig kreeg ik na enig zoeken onderdak bij een dorpshuisje dat al
vol zat met gedwongen arbeiders die voor de Duitsers moesten werken.
Achter de kachel mocht ik in een stoel wat proberen te slapen. Beter wat
dan niets, want buiten zou ik zeker zijn doodgevroren. Het weer was nog
altijd bar en boos. Er lag een dik pak sneeuw en het vroor dat het
kraakte! Het brood dat ik had meegekregen kwam goed van pas. De andere
ochtend kreeg ik van een vrouw nog een boterham en ging ik weer op pad
richting Uddelermeer. Daar vandaan reed er een melkauto naar Zwolle en
daar kon ik dan mee meerijden. Dat was mij ten minste gezegd. Helaas was
de melkauto al vertrokken. Er stond alleen een luxe wagen met daarin
twee kerels die een houtgas motor opwarmden. Ik mocht met hen meerijden
en onderweg pikten we, op de IJsselmeer Straatweg, ook nog een kreupele
dame op die ook op voedsel uit was.
Toen
we bij de Zwolse Brug aankwamen stonden er zeker tien schildwachten
een ieder te controleren. Maar mijn ‘kerels’ hadden zulke goede papieren
dat ze gewoon door konden rijden! Volgens mij waren ze van de
ondergrondse. Als ze Duitsgezind waren geweest, hadden ze mij en de
kreupele vrouw nooit meegenomen. In Zwolle ben ik uitgestapt want ik
wilde richting Hardenberg. Daar woonde een gezin op een boerderij waar
ik al verschillende keren de zomer had doorgebracht. Ik kwam ’s avonds
in Ommen aan. Bij een boerengezin kon ik in een echte bedstee slapen en
werd de volgende ochtend gewassen en verbonden want mijn voeten waren
totaal kapot gelopen. Die zondag mocht ik daar blijven uitrusten en op
verhaal komen. Die familie heette G. J. Langius and a sister of Jan
Gert. Ze beschouwde mij als hun zoon. Hun eigen zoon, Gerrit, was toen
zes jaar. Gert Jan lag op bed met TB en was er slecht aan toe. IK was
natuurlijk welkom als een knecht en ik leerde de koeien te melken, het
land ploegen en de beesten verzorgen. Zoiets vergeet je je leven lang niet.
s’Middags kwamen Engelse vliegtuigen om de V2 startbanen in de
bossen van Ommen te bombarderen. Er hing een zeer dichte mist, dus
weinig succes, maar wel grote schrik bij de bevolking. Gelukkig was er
geen schade.
’s
Maandags na een hartelijk afscheid ging ik weer op weg richting
Bruchterveld een klein dorp bij Hardersberg. Daar viel ik om twee uur mijn ouderlijk huis
weer binnen na mijn zevendaagse hongertocht. Mijn ouders, broers en zussen wisten niet wat ze zagen. De
verloren zoon was thuisgekomen!
Aad
& Mieke Stans
Het handgeschreven stukje onderaan de e-mail die via de
post ontvangen werdt van Aad en
Mieke Stans
Sorry, er was een foutje in het e-mailadres dus wilde
het epistel er niet uit. Vandaar dat per post de enige mogelijkheid
bleef. Ik ben een amateur op de PC, dus wist ik niet beter te doen.
Sorry voor al de misslagen want ik type maar met één vinger en had geen
puf meer om het over te doen, 78 jaar oud! Om de tocht nog eens te lopen
gaat ook niet meer. Ik ben gehouden aan een rolstoel.
Later in 1945 zijn er nog eens vier kinderen
gebracht toen mijn vader met een handkar diezelfde tocht heeft gemaakt
en hij met 8 mud aardappels teruggegaan is met een
buurman samen,
dat heeft de rest van de familie voor de honger bewaard.

Aad Stans |
Aad Stans writes:
Just as you asked in the Oud
Rotterdammer I made the trek to Overijssel in january 1945 together with
my brother. My brother was eighteen years old and I was sixteen. We
departed on Monday, 9 February 1945 from Rotterdam south. My brother had
dressed itself as a woman but that wasn't all that successful and halfway
on the bridge we turned around, changed clothes and he continued the
trip in normal clothes. That day we walked to Oudewater and in the
evening we slept in a school building. It was in the middle of winter,
it froze outside like anything and now and than it
snowed so we were happy that we could sleep inside. Two rooms
were full with walkers, mainly women with all sorts of wagons and
bicycles without times. It was a heap of misery. There was straw to
sleep on but that was very difficult. There was no food - there or at
home. We were a family of ten so those that could had to go.
We got up very early in the
morning and that day we walked all the way to Zeist. There too, we found
shelter in a school with some straw to sleep on and we listened to
stories about what everyone had experienced and we tried to learn
something from that. As food we only had the crust of bread that
we had been given by someone along the way.
The third day we went on our way
again in an optimistic mood right through a new load of snow. Our shoes
were so worm that they didn't deserve that name anymore. We were very
poorly dressed. Our clothes looked like rags but that was in those days
that was the same with everybody. The only clothes that we had,
had already been worn for years.
We walked that morning to
Woudenburg and tried to buy some bread and a bakery with the coupons
that mother had given us. Unfortunately the coupons were not valid. The
baker's wife couldn't help us but she said that if we walked around to
the back of the bakery we would be able to get some food. So said, so
done. We were allowed to come inside after two wildly barking dogs
had been removed. In the cozy warm back room we got something to drink
and the woman then asked if we had appetite for a hot meal. What a
question! That wasn't said to two deaf people's ears. In a moment she
put two steaming hot plates of potatoes with farmer's cabbage sausage on
the table. We attacked it as a pair of wolves. We licked the
plates clean and used our fingers as well. In the meantime out of
various hiding places appeared four people that were in hiding with the
baker's family. They wanted to know where we came from and how it was in
Rotterdam. Anyway, we were slowly recovering. When we wanted to
get on our way again the woman said that we had to wait because on that
time of the day the German Patrols and Dutch SS would check for marchers
that were 18 years or older. Therefore it was better to stay inside for
a little while. We waited for half an hour, became impatient went onto
the street to continue our trek
On the crossing, Arnhem-Amersfoort,
we saw too are great consternation the patrol approach just from the
direction that we wanted to go. Like a hare we turned around and ran in
the opposite direction and hid in a hunter's blind in the woods.
Unfortunately our footsteps were clearly visible in the snow. Two
minutes later a fat German soldier called out, "Get out of there"
and shaking and shivering we got out of our hiding place and, yes,
because my brother was eighteen he had to come with him.
As a sixteen year old I was left all by myself.
I went back to the bakery to give them my report. It was a question of
just having waited for another quarter hour then we could have walked
away without hinder. The baker's woman asked whether I would be going
back or continue. I said I would go back because at the home they had to
know what had happened. She said, "Well in that case you can
take with you a bag of old bread." l looked for a place to stay for
the night and all the emotions of that the day came and the thought of
going back to Rotterdam came up again
In the place where I could sleep,
it was a school, the other walkers said and I would be crazy to go back
and that they could deliver a message at my home that could explain all
the things that had happened. They promised to deliver the message to my
parents in Rotterdam. According to them, I was now more than
halfway to the region where food would be available. There was hunger in
Rotterdam people and I wouldn't be better of if I went back. The
note that I had written was delivered at home one week later and it was
a great consternation for the people at home
My brother, after he had been
arrested, was transported to Amerfoort and had to dig their foxholes in
the Leusder Heide together with another 50 or so people that have also
been arrested. A week later he was able to escape with someone from the
Hague by slowly separating from the work gang and hiding in a hole in
the ground. Via the baker in Woudenberg and using country roads that
were able to return home again.
I just continued the trip by
myself to Darderen. To my horror I couldn't get any accommodation there
because they had as mayor a member of the NSB. He considered al
walkers to be black marketers and had decided that such people had no
place in society.
Fortunately, after some searching
I found shelter in a small house in the village. It was full of escaped
slave workers that had to work for the Germans. I was allowed to sleep
in a chair behind the stove. That was better than nothing at all
because outside I was frozen to death. The weather was still miserable.
That was a thick layer of snow on the roads and at froze like anything.
The bread that had been given was a very welcome now. The next morning a
woman to gave me a sandwich and I went on my way in the direction of
Uddelermeer. From there, it was said, any milk lorry drove every day to
Zwolle and I should be able go with them. Unfortunately, the lorry had
left already. There was only a nice luxurious car where two men were
busy warming up the gas generator. I was allowed to come with them and
along the way they collected, on the IJsselmeer Straatweg, a crippled
lady who was also looking for food
When we arrived at the Zwolse
Bridge Brits there were at least ten German guards checking everyones'
papers. But the people I've traveled with had such good papers that you
were allowed to go straight through. Thought that they belonged to the
resistance force with great faked papers. If they had been German
sympathizers they would not have given a ride to me or the crippled
lady. I got out in Zwolle because I wanted to go in the direction of
Hardenberg. There lived a family on a farm where I had spent several
summers in the past. I arrived late in the evening in Ommen. In a
farmer's house I was allowed to sleep in an alcove. The next morning I
was washed and they wrapped my feet because they were open and had
several sores. That Sunday I was allowed to stay to rest and recover
from the ordeal. That family was G.J. Langius and een zuster van
Gert Jan. They treated me as their son. There own son, Gerrit was six
years old at the time. Gert Jan was seriously ill with TB and hence I
was much welcome as a farm worker. I learned to milk the cows, plow the
fields and looked after the animals. That's something you do not ever forget.
In the middle of the day English
planes came over to bombard the launching pads for the V2s. There was a
very heavy mist, and the change of success was small. But it created a
lot of fear among the population. Fortunately, there was no damage.
On Monday, after a warm departure, I went on my
way in the direction of Bruchterveld a small village near Hardenberg. That's where at
2:00 in the afternoon I arrived at my parents' home from my seven days'
track. My parents,
brothers and sisters didn't know what they saw. The lost son had come on
home. Aad
& Mieke Stans
The handwritten peace on the bottom of
the email received via the mail from Aad and Mike Stans reads:
Sorry that was an error in the e-mail
address so I couldn't send it out as intended. That's why sending it
through the mail remained the only option. I am an amateur on the
computer, so I didn't know what to do. Sorry for the typing errors
but I'm typing with only one finger and I didn't have the energy to do
it all over again. I'm 78 years old. To walk that track once more
isn't possible anymore because I am confined to a wheel chair.
Later in 1945 another four children were delivered when
my father with a handcart walked the same route. He went back home with
eight bags of potatoes with assistance of a neighbor. That kept the
whole family alive to the end of the war.

Aad in de tuin |