Ger Swijnenburg schrijft:
Ik geef onderstaand een summier verslag
van het een en ander:
Veertien dagen vòòr de oorlog (10 mei 1940)
zijn wij, mijn ouders, broer, 2 zusjes en ik vanuit Hellevoetsluis
naar Rotterdam-West verhuisd. Mijn vader was tot 1938 marinier en is
daarna overgegaan als militair werkman en na opheffing van het
Ministerie van Oorlog bij de gemeente Rotterdam aangesteld, waar hij
geëindigd is als opzichter.
Omdat er in Hellevoetsluis geen
huishoudschool was, is mijn oudste zus in 1939 bij mijn grootouders
in Kralingen opgenomen, zodat zij in Rotterdam wel op een dergelijke
school zou kunnen gaan leren.
Op de dag dat de oorlog uitbrak, zou zij
weer terugkeren in ons gezin. Het was onmogelijk op die dag van
Rotterdam Oost naar het westen te reizen, dus ging dit niet door.
Bij het bombardement op 14 mei is zij
met mijn grootouders en oom allemaal omgekomen. Men behoeft niet raden
hoe onze mening over de bezetters was.
Na de Lagere School ben ik naar de
Handels-U.L.O. gegaan, die ingekwartierd was bij de Kweekschool aan
het Aelbrechtsplein, omdat de desbetreffende school in de stad was
weggebombardeerd. Aan alles was gebrek, zo haalden wij het
kladpapier, dat wij op school nodig hadden onder de dekzeilen van de
opgeslagen administraties van de afgevoerde Joden, vandaan. Al deze
spullen lagen op de wal van de Aelbrechtskade langs de Schie.
In 1941 en 1942 ben ik in augustus
(grote vakantie) via de kerk uitgezonden naar boeren in Gelderland.
Om de andere maand stuurde deze mensen via de post een heel groot
roggebrood. Als nog hulde voor deze overleden mensen.
In 1944 had ik mij via het Arbeidsbureau
gemeld voor de Landbouwhulp bij het binnenhalen van de oogst. Ook
dat was in de grote vakantie. Met jongens uit Rotterdam, Den Haag
en Amsterdam zijn we met de trein naar Gramsbergen gebracht, waar
wij ondergebracht werden bij de landbouwers. Zij
noemden ons studenten, maar dat waren we niet allemaal.
Om wat bij te verdienen hielp ik
regelmatig op de markt diverse marktkooplieden w.o. iemand uit het
Witte Dorp.
Na de spoorwegstaking werd het met het
voedsel steeds nijpender. Van armoede moesten we naar de gaarkeuken. In januari werd de school gesloten,
omdat het zonder verwarming niet meer uit te houden was.
Begin februari 1945 kwam genoemde
marktkoopman bij mijn ouders om te vragen of ik met hem mee wilde
gaan naar Overijssel om voedsel te bemachtigen bij de boer waar ik
in augustus geweest was en dan zou hij mij daar achter laten. Ik had daar wel oren naar, omdat ik,
zoals vrijwel iedereen, zo'n honger had. Mijn ouders gingen
hiermede accoord, Na enige dagen zijn we met z'n drieën (er was
inmiddels ook een bekende van de marktkoopman bijgekomen) aan de
expeditie met handkar begonnen.
M'n jongere broer en zusje zijn een week
later met een boot over het IJsselmeer naar Friesland vervoerd, waar
zij ondergebracht zijn bij pleegouders, maar dat is een ander
verhaal. Het scheelde ons gezin in ieder geval 3
monden, waarvan 2 opgroeiende jongens. De 2 kleinsten bleven dus
achter bij mijn ouders.
Nu dan verder met de 5-daagse voetreis
via Kralingen, Capelle a/d IJssel richting Gouda, Utrecht enz. Vanwege de mist had ik het erg koud,
mede ook omdat het lichaam geen vet meer bevatte en de
armoedig/verrsleten kleding geen echte warmte meer gaf. Bij een klooster, ik meen Oudewater,
kreeg ik op mijn vraag om eten een kopje Santé (dit was surrogaat
thee).
Wij hadden afgesproken, dat we niet alle
3 tussen de middag op hetzelfde adres eten zouden vragen. We waren
al echte bedelaars geworden. De omstandigheden in aanmerking
nemende, ging dat heel goed. 's Avonds en 's morgens kregen we wel
wat te eten bij het z.g. "trekkersonderkomen". Dit waren veelal
scholen waar in de klaslokalen stro lag, waar iedereen, mannen,
vrouwen en kinderen gekleed naast elkaar sliepen. De vrijwilligers
die zich hiervoor ingezet hebben verdienden ook alle lof. Wat zullen we
gestonken hebben.
Terugkomende over die kille mist. Toen ik de
opmerking maakte, dat ik hoopte, dat deze spoedig zou optrekken ,
zei mijn reisgenoot: "je weet niet wat je wenst, want dan zal je nog
wat beleven". Nou dat klopte precies, want toen de mist na 3 dagen
verdween, waren de Spitfires, Hurricanes en Mosquito's heel actief
boven de Rijkswegen. Zodra zij iets motorisch zagen, doken zij naar
beneden om het voertuig onder vuur te nemen. Tussen Utrecht en
Amersfoort was het aan beide kanten van de weg één autokerkhof. Wij moesten regelmatig dekking zoeken in
de schuttersputjes die langs de weg gegraven waren. Ook waren er
z.g. gecamoufleerde TARN garages langs wegen aangelegd waar een auto
zo in kon rijden. In Harderwijk kregen we soep bij de
FINO-fabrieken. Na de oorlog is dat California geworden.
Op de IJsselbrug bij Zwolle was er
intensieve contrôle, maar omdat er een jongen met z'n vriendin
werden aangehouden, slipten wij met de handwagen er snel langs.
Mogelijk hadden wij ook moeten werken aan de verdedigingswerken van
de moffen. Toen we in Zwolle kwamen, stikte het er
van de Duitsers in het bijzonder van de Organization TODT en
landverraders.
Gezien mijn leeftijd van 15 jaar mocht ik nog niet in
een café komen. Mijn 2 maten die ouder waren, namen snel een
biertje, terwijl ik buiten bij de handwagen bleef wachten. Daarna
hebben we de stad snel verlaten richting Lichtmis. Daar hebben we de laatste luchtaanval op
deze tocht ondergaan. De R.A.F. deed een aanval op de spoorlijn met
bommen. Na afloop zagen wij de rails de lucht insteken.
Langs de Dedemsvaart zijn we die dag in
Gramsbergen aangekomen. De boer, waar ik in augustus 1944 was
geweest, had niets op mij aan te merken, maar zijn vrouw had
kennelijk toch bezwaren, dus opname was er niet bij. Dit had ik echt
niet verwacht. Het huilen stond me nader dan het lachen, dus wilde
ik met m'n 2 reisgenoten weer terug naar Rotterdam, maar daar wilden
zij niet van horen. Dus hup naar de plaatselijke dominee en
ouderling.
Zij brachten mij bij een heel aardige
boer onder, waar ik als boerenknecht heb gewerkt. Ik ben ze nooit
vergeten. Bijna jaarlijks ging ik daarna bij hen op visite. Zelfs nu
nog, nadat de familie is overleden, bij hun nazaten. Ik zal ze
altijd dankbaar blijven.
Op 5 april 1945 zijn we bevrijd, maar
daar zat voor dit boerengezin een zeer wrange bijsmaak aan. Op 3 april stond er de gehele dag een
Duitse Rode Kruis-trein even buiten het dorp richting Coevorden. De
hele dag zaten er geallieerde verkenningsvliegtuigen boven deze
trein. Tegen de avond, toen men kennelijk wist, dat het Rode Kruis
alleen maar camouflage was, werd deze trein onder vuur genomen.
Daarbij werd de verloofde van één van de 2 dochters van de boer,
dodelijk getroffen toen hij met z'n vader en broer achter een
hooimijt lag.
In juli '45 ben ik met een geallieerd
militair convooi via een Baileybrug bij Zwolle naar Rotterdam
gebracht. In Rotterdam was het brood er zelfs
beter dan in Overijssel, want die hadden nog regeringsbrood. Het was één en al feest met de beperkte
middelen die men had. Dit duurde tot en met Koninginnedag 31
augustus en toen moest er weer gewerkt worden en uiteraard naar
school.
In 1946 met diploma verliet ik de
school, werd jongste, later aankomend bediende bij de Internatio. Vervolgens administratief ambtenaar bij de Gemeentepolitie
Rotterdam.
1 maart 1949 opkomst militaire dienst;
september uitgezonden naar Ned. Indië, juni 1951 gedemobiliseerd.
Jeugd hebben ik en mijn leeftijdsgenoten
vrijwel niet gehad. Wij werden al te vroeg volwassen. Ik heb aan de hongertocht kennelijk een
tik overgehouden, want sinds mijn VUT heb ik inmiddels al 16 keer de
4-daagse
in Nijmegen gelopen. Trouwens ik heb ook bij de Infanterie gezeten,
waar in mijn tijd altijd werd gelopen .
|
Ger
Swijnenburg writes:
Here under I'll give a brief report about one thing and
another.
Fourteen days before the war started on May 10, 1940 we
moved from Hellevoetsluit to Rotterdam. That is my parents, a brother
and two sisters. My father has been a marine in 1948 and thereafter
started as a military tradesman and after the dissolution of the
Ministry of War he joined the city government of Rotterdam. He retired
as a supervisor.
Because there was in Hellevoetsluis no household school,
my eldest sister, in 1939 moved in with my grandparent in Kralingen.
This was in the hope that she would be able to join a similar school in
Rotterdam.
On the day that the war started, see was supposed to
return to our family. But that was in possible on that day
to travel from East to West Rotterdam. So that didn't happen. On the
German bombardment of May 14, she, an uncle and both grandparents were
killed. albeit the fourteenth she and my grandparents and uncle
perished. You don't have to guess what we though about the German
occupiers.
After I finished elementary school I went to the Traders
- ULO school. It had been moved into the premises of the Teachers school
because its school building school had been destroyed in the
bombardment. There were shortage in just about everything. We collected
scrap paper, that we needed at the school, from under the tarpaulins on
the street were the administrative papers of Jewish business were
stored. All these goods were stored in the street on the Albrechtkade
along the River Schie.
In the 1941 and in 1942, I was sent in the August school
summer vacation by the church to farmers in Gelderland. Every
other month these people sent via the mail a large rye bread to my
family. To this day these people deserve praise.
In 1944 I had a reported to the labor bureau to assist in
the harvesting of the crops. This too was like a big holiday. With bows
from Rotterdam, the Hague and Amsterdam we were transported by train to
Gramsbergen. There we were placed with farmers. They called us students
but not all of us were. To earn something extra I regularly
assisted market vendors on the market, among which someone from the
"White Village."
After the railway strike the food supply situation became
desperate. Because of necessity we had to go to the communal kitchen.
The schools were closed because without heating it wasn't possible to
study.
In the beginning of February, 1945 the referred to market
vendor came to ask my parents if I would be allowed to go with him to
OverIJssel to buy food. I was quite interested because I, and everybody
else, were very hungry. My parents agreed. After several days
walking the three of us (an acquaintance of the vendor had joined) were
well on our way pushing a handcart.
My younger brother and sister traveled a week later with
a boat across the IJssel Lake to go to Friesland where the were placed
with foster parents. - but that is another story. In any case that saved
the family having to feed three hungry mouths among which two growing
boys. The two smallest ones stayed behind with our parents.
Then we continued with a five-day walk via Kralingen;
Capelle aan de IJssel the direction of Gouda; Utrecht and so on. Because
of the fog it was very cold. In addition our bodies carried no fat and
our clothes were worn and provided no comfort. At a cloister, I think it
was Oudewater, in response to my request for food I was given a cup of
Santé (an imitation tea.)
We had agreed that not all of us would not in the
afternoon ask for food at the same house. women had to quit that not all
of us very well -- for food at the same address. We were
perfecting our begging routine. Given the circumstances that worked out
quite well. In the evenings and mornings we had a chance to get
something to eat at "Hunger Marchers Shelters." This was usually at
schools where straw had been spread in some classrooms. That's where
everybody, men, women and children still dressed slept all closely
together. The volunteers who arranged all of this certainly still, to
this day, deserve a lot of praise . We're probably a stunk.
To get back to the cold fog. When I made the remark that
I hope that it would lift soon a companion said, "You don't know what
you are asking for because then you'll experience something else." Well
he was absolutely right. As soon as the fog had lifted the skies were
filled with Spitfires; Hurricanes and Mosquitoes that were particularly
active over the State Roads. The y attacked and shot at any motorized
transport on the road. The stretch of road between Utrecht and
Amersfoort on both side of the road was a wreckers yard. We regularly
had to find shelter in "foxholes" that had been dug along the route.
There were also the camouflaged garages along the road where military
trucks and cars could hide. In Harderwijk we got some soup at the FINO
factory. After the war thisrenamed California.
On the IJssel Bridge onear Zwolle there was an intensive
control. Because a boy and his girlfriend were stopped it was possible
for us to quickly slip by. It stopped we would probably have been put to
work by the Germans on the defensive works that were being constructed
in all haste along the river. When they arrived in Zwolle it was
crawling with Germans and in particular the organization TODT and
Quislings.
Because of my age of fifteen years I wasn't allowed to
get into a cafe. But my friends that were older quickly bought a
beer while I was guarding the hand wagon. Thereafter, we quickly left
the city and went in the direction of Lichtmis. That's where we
experienced the first ever aerial attack during our journey. The
RAF attacked the railway line with bombs. After this was over the rail
track was pointing to the sky.
Along the Dedemsvaart we arrived that day in Gramsbergen.
The farmer where I had been in August, 1944 had no problem with me, but
his wife had some objections. Therefore, we couldn't stay there. I
really hadn't expected that. I was closer to crying than to laughing and
that's why I wanted us all to go back to Rotterdam but they didn't want
to hear about it. Thus quickly again to the local preacher and a
Elder.
They found a very nice farmer for me and there I stayed
and worked as a farm laborer. I never forgot them. Just about every year
after the war I visited them. Even now after the family has died I still
visit their descendents. I will always remain thankfull to them.
On April 5, 1945 we were liberated but that had a
bittersweet taste for this farm family. All day on April 3 a German Red
Cross train was parked just outside the village pointing towards
Coevorden. All day Allied planes were scouting above this train. Towards
the evening they probably realized that it was a ploy and a little later
the train was attacked. During this attack the fiancée of one of the
daughters was deadly wounded when he, his father and another brother hid
behind a haystack.
In July '45 I was able to travel back with an Allied
military convoy that via a Bailey Bridge at Zwolle drove to Rotterdam.
When back in Rotterdam I noticed that the bread there was even better
than in Overijssel that still had government bread . It became a
long celebratory party even with the shortages that still existed.
This went on till "Queens Day" on August 31 when everyone was urged ti
go back to work and school.
In left school in 1946 other school with a diploma.
I became the youngest and later an associate at Internatio. Therefater I
became an administrative functionary with the Municipal Police in
Rotterdam. I was called for military service on March 1, 1949. I was
then sent out in September to Netherlands East Indies, and was
demobilized in June 1951.
We didn't have much of a childhood. We were forced to
grow up very quickly. The Hunger March left me with a liking for
walking. After I retired I've walked the four-day walk in Nijmegen 16
times. And, of course, I had been in the infantry wher, in those days,
we did a lot of walking a well.
Ger Swijnenbur |