Til van, L

Home
A. Reportage
B. Planning
C. Historie
D. Verhalen
E. Reunie
F. Administratief

 


Annie & Lodewijk van Til.
Paul Krugerschool in Rotterdam, dateert uit 1942, wij waren toen resp. 13 en 7 jaar.

Hongertocht
(januari 1945)

"Je moet vanavond vroeg naar bed’’, zei moeder, "want morgen ga je met vader naar Drente lopen”. "Annie gaat ook mee’’. Ik vermoedde wat er zou gebeuren. Twee dagen hiervoor moest ik met vader naar de kapper. Wat mij enigszins verbaasde, daar ik als jongen van 10 jaar toch alleen naar de kapper kon gaan. Vader raakte in gesprek met kapper Leensvaar, terwijl ik wat doezelig in de scheerstoel zat te wachten tot hij zou beginnen. Plotseling schrok ik wakker,"Ben je besodemietert, zo’n jongen sterft al voor je bij het Kralingse bos bent’’, hierna volgde een serie vloeken. Voor vader was dat voldoende om me bij de hand te grijpen en me de winkel uit te sleuren.

Woensdag, 10 januari. -- Vroeg in de morgen gingen we op pad. Voorbij het Kralingse bos dacht ik: ‘’ik leef nog’’. De sneeuw lag hoog opgestapeld. Sneeuwruimers hadden de Utrechtse weg goed schoon gemaakt, zodat de Duitse vrachtwagens vrij baan hadden.

Na enkele uren lopen zei vader, "daar, bij die villa gaan we beginnen‘’. En dat zou dan ook het begin worden van een ruim drie weken durende bedeltocht, onderbroken door een opname van mij en mijn 16-jarige zusje in een ziekenzaaltje.

"Heeft u, alstublieft iets te eten voor ons‘’, vroegen we aan de dienstbode. "Het diner is juist afgelopen, ik zal eens gaan vragen’’, zei het meisje. En zowaar na een minuut of tien kwam ze terug met een bord aardappels met wat vette jus. Gretig tastten we toe. Te haastig evenwel, zodat er een aardappel van het bord viel en in de sneeuw belandde, "Raap op’’, riep vader gebiedend. Toen ik me weer oprichtte, was het bord schoon. Na het meisje vele malen te hebben bedankt, vervolgden we onze weg, richting Gouda. Dat we niet de enige, zogenaamde ,,doortrekkers’’ waren, bleek bij de aankomst in Gouda. Op een stoel in een café konden we de nacht doorbrengen. Het was druk in de zaak. Sigaretten en brood werden er verhandeld. Voor een rijksdaalder wist vader een boterham te bemachtigen, die we gedrieënlijk deelden.

Het sneeuwde licht toen we de volgende dag onze tocht voortzetten. Nadat we een tiental keren hadden aangebeld en de vraag gesteld," hebt u alstublieft wat te eten’’, waarop het antwoord luidde: "nee’’, zei vader, "we stoppen ermee, van de honger ga je niet dood’’. Dit was een juiste voorspelling. De hongerdood laat lang op zich wachten. Het is vaak een combinatie van factoren die ervoor zorgt dat je het niet redt. Maar laat ik niet op de feiten vooruitlopen. Na Utrecht zou het beter worden: daar woonden de boeren, die voldoende te eten hadden.

Op weg naar Woerden zagen we plotseling een broodfabriek opduiken. "Hier zullen ze wel een paar boterhammen voor ons hebben’’, zei vader. "Blijven jullie even wachten, dan ga ik naar binnen’’. Mijn zus en ik wachtten voor de poort. Na een half uur kwam vader weer naar buiten. Hoofdschuddend. ,,Ze vragen honderd gulden voor een brood’’ zei hij. Zoveel geld hadden we niet bij ons. "Eten hebben we zelf niet, maar je mag wel in de schuur slapen’’, zei een aardige man in een kleine plaats onder Woerden.

De volgende morgen gingen we om 10 uur op weg. Al bedelend, zonder veel succes, kwamen we in Harmelen aan. Bij een boerderij, een eindje van de weg af, mochten we in het hooi slapen. De andere morgen werden we door de boer gewekt en kregen we in de bijkeuken ieder twee boterhammen en een kop melk, waarna we de tocht vervolgden. Laat in de middag van de vierde dag kwamen we dan eindelijk in Utrecht aan. Om zeven uur ’s avonds liepen we over de Keizersgracht. Het was bitter koud geworden. In een van de kroegen vroeg vader of er slaapplaats was. "Nee’’, was het antwoord, maar jullie mogen wel aan tafel gaan zitten bij die andere mensen.

Daar zaten we dan aan een ruw houten tafel. Mijn vader en zus zaten tegenover mij, naast mij een dikke mevrouw en daarnaast een hoestende oude man. Er werd ons een kop thee geserveerd. Het was tenminste iets. Plotseling klonk er een vreemd geluid, het hoofd van de oude man sloeg op de tafel en uit zijn mond rolde het bloed. Zelfs voor mij was het duidelijk: hij zou de morgen niet meer zien. "Weg met dat kind’’, gilde de vrouw naast mij. "Hij mag het niet zien’’. Ik werd naar boven gebracht en daar stond zowaar een bed. De andere morgen toen ik weer beneden kwam zaten daar mijn vader en Annie nog aan tafel die verder netjes schoon gewassen was. Over het voorval werd niet meer gepraat. Na weer een kop thee vertrokken we weer.

Het was licht gaan sneeuwen. We liepen in het midden van de weg. Verkeer was er nauwelijks. Door de laag sneeuw die zich weer gevormd had, was het hoefgetrappel nauwelijks hoorbaar. "Mitfahren?’’, riep iemand achter ons. Op de bok van een paard en wagen zaten twee Duitse soldaten. We klommen in de open laadbak en in een draf ging het verder. Na ongeveer drie kwartier waren we praktisch ingesneeuwd. Ik doezelde in en verloor het bewustzijn. "Hij moet nu wakker worden anders redt hij het niet’’, hoorde ik. Of waren het de slagen in mijn gezicht die me weer terugbrachten tot de werkelijkheid. Het was een prettige gewaarwording weer bij bewustzijn te komen. Dat gevoel werd versterkt door het feit dat ik wakker werd in een hele grote, rijk gemeubileerde kamer, waar het heerlijk warm was. Dunne bruine bonensoep werd in mijn mond gegoten. Nu moest ik mijn ogen wel open doen.

Om me heen werd druk gepraat. Enkele dames praatten zelf in een vreemde taal, Frans waarschijnlijk. "We zullen jullie met de auto naar Rotterdam brengen’’, zei een van de aanwezige heren. Vader wilde daar echter niet van horen."We moeten verder’’.  "Geen sprake van" zei een van de andere heren’. " De kinderen moeten opgenomen worden. U kunt later terugkomen om ze op te halen. We regelen dat verder wel. Voorlopig zijn ze in goede handen.’’

Met de auto werden we naar Woudenberg gebracht. In het donker doemde een heel groot huis, of was het een kasteel, op. Door een zijdeur kwamen we in een serre, die ingericht was als een ziekenzaaltje. Er lagen twee mensen in bed. Vier bedden stonden leeg. "Misschien wil mevrouw de barones jullie even zien’’, zei een, in verpleegstersuniform gestoken meisje van een jaar of achttien. Even later kwam een oude dame binnen. Ze bekeek ons heel even. "Direct in bed’’, zei ze. "Maar eerst moeten ze gewassen worden’’. Na enige tijd lagen m’n zus en ik in bed en vielen dan ook direct in slaap. Later hoorde ik dat vader die nacht op het kasteel geslapen had en ’s ochtends volop eten had gekregen in de keuken, zodat hij weldoorvoed naar Rotterdam terug kon lopen.

Het was al laat in de morgen toen ik ontwaakte. Naast mijn bed zat de verpleegster. "Je hebt een mooie droom gehad’’, zei ze. Dit was waarschijnlijk aan mijn gezicht te zien geweest. Mede om haar een plezier te doen vertelde ik een kleurrijke droom over vrachtwagens vol met heerlijk gebakken karbonades en vriendelijke mensen die limonade schonken in grote glazen.

Het zal de vierde dag van ons verblijf in het ziekenzaaltje zijn geweest dat ik bij de barones ontboden werd. Ik kwam een grote hal binnen, karig gemeubileerd met aan de wanden grote schilderijen, waarschijnlijk de portretten van voorouders. Rechts van de hal was een grote wenteltrap met een brede rode loper. Links tegen de muur stond een soort troon met een stoeltje ernaast. Op de troon zat de barones. Het geheel wekte de indruk dat de barones hier regelmatig audiëntie hield. Ik mocht naast haar gaan zitten. Nu ontwaarde ik ook de butler. Hij stond op een meter of zes afstand links naast de trap. Een rood vest  met glimmende knopen, zijn haar strak naar achteren gekamd. Kortom, zoals een butler eruit hoort te zien. Roerloos stond hij daar. De barones wuifde en de butler verdween. Even later kwam hij terug. Hij droeg een dienblad op een wat potsierlijke manier . Op schouderhoogte. Iets wat ik eerder bij Charley Chaplin had gezien. In een keldertje in de Johannes Brandstraat in Rotterdam-zuid werd voor de jeugd filmpjes van genoemde artiest gedraaid. Maar dit terzijde. Op het blad stond in een zilver dopje: een eitje.

"Mevrouw de barones, Uw ei’’. "Geef het deze keer maar aan de jongen hier’’. "Mevrouw, dat kan toch niet’’."George, schaam je’’, zei de barones bestraffend. "Voor het eerst sinds jaren at ik een ei. De barones vroeg me waar ik woonde, hoe mijn zusje heette enz. Ik vertelde allerlei dingen over mezelf. Ook vroeg ze wat ik droomde. Waarschijnlijk was ze door de verpleegster goed geïnformeerd. "Louis’’, zei ze, "je hebt een grote fantasie’’. Mijn naam: Lodewijk, had ze ter plekke omgedoopt in Louis. De volgende dag al mocht ik met de barones in de tuin wandelen. Nou ja: tuin. Het was een park waarin je kon verdwalen. De wandeling duurde zo’n drie kwartier. De wandeling werd twee dagen later nogmaals herhaald.

Met vader was afgesproken dat hij ons na acht dagen kon afhalen. Op het afgesproken tijdstip kwam vader aan. Op een oude fiets, zonder banden. Een nieuwe fiets was natuurlijk direct in beslag genomen. Na een hartelijk afscheid van de verpleegster en de barones gingen we weer op pad. We hadden voor twee dagen eten meegekregen, zodat we niet werden opgehouden door het gebedel. De fiets was min of meer een handicap, maar vader wilde hem toch behouden. Als hij ons in Drente afgeleverd had zou er voor hem nog een weg terug zijn. Gedurende de afgelopen dagen was de temperatuur gestegen en was het flink gaan regenen. Doordat de sneeuwlaag was verdwenen konden we flink opschieten. 

We waren blij met het eten dat we hadden meegekregen, want zeker in een stad als Amersfoort was geen boterham te vinden. Verder ging het. Van vermoeidheid was die dag geen sprake. Zo bereikten we het plaatsje Nijkerk. Niet elke boer verleende onderdak aan doortrekkers. Nu zagen wij drieën er redelijk betrouwbaar uit. Het waren vooral jongere mensen die de room uit de melkbussen stalen. Even voorbij Nijkerk gelukte het ons weer een plaatsje in het hooi te bemachtigen.

Het bedelen ging in deze omgeving wat gemakkelijker. In  Putten kregen we zelfs een pannenkoek aangeboden. Ik zie ons nog staan: Terwijl ik prevelde: "Hebt u misschien een boterham voor ons’’, hield ik mijn hand op. Schuin achter mij stonden mijn vader en m’n zusje, als een decor van hulpeloosheid. Droog brood behoefden we al niet meer op te eten. Deze boterhammen werden door vader keurig in een linnen zak bewaard. Verder ging het richting Harderwijk Daar aangekomen rustten we wat in het plaatselijke café. Hier had men, voor weinig geld, een slaapplaats voor ons. Op de zolder waar nog enkele mensen lagen stonden wat bedden.

De andere morgen om negen uur gingen we weer op pad. Uit eigen voorraad aten we op een bankje wat boterhammen. Tegen de avond, dodelijk vermoeid dit keer, kwamen we in de buurt van Elburg. Nergens slaapplaats. Wat te doen. Een klooster doemde op. "Hier kunnen we wel slapen’’, zei vader. Vader klopte aan de kloosterdeur. Door een non werd er opengedaan. "We zitten helemaal vol’’ zei ze. "Jammer, maar jullie het ergens anders moeten proberen’’. "Maar de jongen dan, hij is doodziek, hij kan niet verder’’. Dit was niet ver bezijden de waarheid. Ik stond, zogezegd, te tollen op mijn benen. "Goed’’, zei de non, "er is toevallig een dokter. We zullen kijken wat die zegt. Maar jullie moeten in ieder geval weg’’. Iets later zou blijken waarom er "toevallig’’ een arts was.

We liepen door een lange gang. Aan het eind stonden twee bedden Eén van de bedden was leeg en in het andere lag een jongen. Naast zijn bed zat een man in een keurig kostuum. Waarschijnlijk de arts. "Wachten jullie hier maar even’’, zei de non en ze fluisterde de arts iets in zijn oor. Het duurde niet lang of de man zei tegen mij: "kleed je maar uit, het broekje kan je aanhouden’’. "Ondervoeding’’, zei hij even later in het algemeen. "Hij moet veertien dagen hier blijven’’. Vader zei niets. De non vouwde mijn kleren op en legde me in bed. Een beetje verdwaast zag ik mijn vader en mijn zus de gang uit lopen.

Waarschijnlijk geschrokken door het woord "ondervoed’’ verscheen de non even later met een stapel boterhammen belegt met een dikke plak kaas. Mijn buurman en ik kregen er ieder vier. Gretig zette ik mijn tanden in de lekkernij. De jongen naast mij keek toe. Toen ik de boterhammen op had, zei hij: "hier heb je er nog vier’’. "Maar die zijn toch voor jou’’, zei ik. "Nee’’, zei hij, "ik ga straks toch dood’’. "Wat heb je dan ‘’, zei ik. "Tering’’, antwoordde hij. We zwegen even. Ik wist ook zo gauw niet wat ik zeggen moest, maar ik pakte wel de boterhammen aan en stopte die onder de dekens. Na enige tijd zei ik: "hoe oud ben jij’’. "Veertien’’, zei hij. "O’’, en ik dacht: dat is toch een aardige leeftijd.

Ik viel als een blok in slaap. Toen ik wakker werd stond de non naast mijn bed en het bed van de jongen was leeg. "Hij is vannacht overleden’’, zei de non. "Weet jij wat zijn laatste woorden waren’’. Ik wist het wel, maar durfde het niet te zeggen. Bang dat ik die vier lekkere boterhammen weer in moest leveren. "Nee’’, zei ik dus. Even later stonden mijn vader en mijn zus naast mijn bed. "Ik heb vier lekkere boterhammen’’, zei ik. "Goed’’, zei vader, "en waar zijn je kleren’’. Die lagen nog op een stoel. "Trek ze aan’’, zei vader, "dan gaan we’’. Vlug kleedde ik me aan en met z’n drieën holden we de gang door. De non achter ons aan. Buiten gekomen zei vader nog: "We hadden de grootste moeite om een slaapplaats te vinden’’. Hij maakte zich ongerust. Op het adres waar ze hadden overnacht had hij vernomen dat de brug over de IJssel waarschijnlijk afgesloten zou worden. Het viel mee. Wel werd de brug streng bewaakt. Ook wij werden gefouilleerd. Verder ging het richting Zwolle.

In veel grotere plaatsen had men voor zogenaamde "doorgangshuizen’’ gezorgd. Dat waren dan meestal leegstaande scholen met in verschillende lokalen stapelbedden. Zo ook in Zwolle, waar we al om vier uur in de middag aankwamen. Vader werd naar de mannenzaal verwezen. M’n zus de meisjeszaal en ik op de jongenszaal, waar ik het onderste bed kreeg toegewezen. Op de strozak strekte ik me uit. Maar niet lang. "Hé, ventje’’, riep een jongen van een jaar of zestien, "sta jij eens op, heb je brood bij je?’ "Ja’’, zei ik. "Geef hier’’, zei de jongen, "anders slaan we je in elkaar’’. "Mijn vader heeft het brood, ik zal hem even halen en dan slaat hij jullie in elkaar’’. Dit schrok de knaap even af. Ik bleek tussen een jongensbende te zijn belandt. Zij stalen dus room (boter) uit de melkbussen, maar het was ook voor hen een beetje moeilijk om aan boterhammen te komen. We maakten een afspraak: ik zou boterhammen halen en zij zorgden voor de boter. Het was even zoeken voor ik vader gevonden had. Hij gaf mij een stapel droge boterhammen mee.  Wat hebben wij gegeten: boterhammen met zo’n centimeter dik boter.

Daarna sliep ik spoedig in, maar niet voor lang. "Razzia, razzia’’, gonsde het door de lokalen. Alle mannen tussen 18 en 50 worden opgehaald. De stoere jongens zaten meteen in zak en as. En daar was reden voor: de Duitsers keken zo nauw niet. Bevelen in het Duits en veel lawaai op de gang. Niet veel later kwam een Duitse soldaat de zaal binnen. Het geweer achteloos in de hand. Een grote handgranaat tussen de koppel. Het was duidelijk dat hij het wel geloofde. Hij liep tot achteraan, keerde zich om en verdween. Ik zwaaide nog naar hem, maar hij lette er niet op. Intussen was ik me wel bezorgd gaan maken. Mijn vader was weliswaar 54 jaar, maar je kon nooit weten. Toen de rust was weergekeerd stapte ik van de strozak en ging kijken of hij niet meegenomen was. En daar lag vader. Ik zag zijn grijze haren boven de deken uitkomen. Zonder hem te storen ging ik terug naar de jongenszaal. Van slapen kwam niet veel meer.

Daar gingen we weer op pad. Langs de Dedemsvaart ging het nu. Een grote rivier die van Zwolle tot Coevorden liep. Later is hij gedempt. Langs de Dedemsvaart en ook langs het hoger gelegen Stieltjeskanaal liep een jaagpad. In 1945 nog gebruikt door turfschippers. Zowel voor het paard als voor de schipper was het vervoer van turf in de laatste jaren van de oorlog levensgevaarlijk. Als de geallieerden terugkwamen van Berlijn  waar ze hun bommen hadden laten vallen, wilden de begeleidende jagers (Spitfires) nogal eens naar beneden duiken. Waar is de grens? Het resultaat was dat, zeker begin 1945, tientallen mensen het leven lieten. Het houten kombuisje van de turfscheepjes was niet bestand tegen de punt 50-ers. Stond er toevallig een Duitse vrachtwagen bij een boerderij voor de deur, dan lag ook dit voorwerp onder vuur. Met als resultaat dat een of meerdere mensen uit de boerderij het niet na konden vertellen.

We passeerden wat minder belangrijke plaatsen. Een kilometer voor Ommen vonden we een boerderij waar we ’s avonds aan tafel mee mochten eten: aardappels, wat sju en een klein stukje gebakken spek. Dat laatste was natuurlijk een ware lekkernij. In het hooi mochten we slapen. Na ’s morgens op melk en brood getrakteerd te zijn gingen we weer verder.

De volgende pleisterplaats aan de 60-kilometerlange vaart was Hardenberg. Langs de Dedemsvaart werd geen honger meer geleden. In tegendeel. Zelfs tussen de middag kregen we hier en daar te eten. Het Stieltjeskanaal was het einddoel en vader vond dat we de tijd hadden. Vandaar dat we ook in Hardenberg een slaapplaats zochten. Ook hier mochten we de hooischuur opzoeken.

De volgende dag liepen we zo’n 15 tot 18 kilometer en passeerden in de middag Gramsbergen. "Nog twee dagen’’, zei vader, "en we zijn er’’. Eerst maar weer een boerderij opgezocht. We troffen het: hartelijk werden we ontvangen. De mensen waren ook christelijk en vader was weldra in een druk gesprek gewikkeld. Het eten ’s avonds was prima: aardappels met bonen. We gingen vroeg te bed. Op de zolder lagen twee matrassen waarop we makkelijk met z’n drieën konden slapen.

Aan de zoldering hingen grote hammen en worsten in alle maten. De andere morgen werden we door een haan gewekt. Vader was blijkbaar al beneden. Beneden gekomen kwamen mijn zusje en ik voor een verrassing te staan. Aan tafel zaten de boer en vader tegenover elkaar. De boer keek grimmig en vader schuldbewust. "Jullie gaan meteen weg’’, zei de boer. "En dat noemt zich christelijk’’ zei hij erachteraan. Daar gingen we dan. Later begreep ik dat vader de verleiding niet had kunnen weerstaan en zich vergrepen had aan een van de vele worsten. Nog veel later zou er een bisschop zijn die dit gedrag goedkeurde. Gelukkig hadden we bedelbrood in overvloed. Zodat we langs de weg op een klein muurtje ontbeten.

Voorbij Coevorden zou onze laatste stopplaats zijn. Het gezin waar ik vijf maanden zou verblijven was weliswaar op de hoogte van onze komst, maar ze hadden geen flauw idee wanneer we precies zouden arriveren. Het verzenden van een brief was mogelijk, maar je moest niet op een maand kijken. Achteraf bleek dat men verwacht had dat we met een auto zouden komen. Via kennissen had men laten weten wel bereid te zijn een jongetje voor enige tijd op te nemen. Mijn vader zou m’n zusje daarna in Assen bij een domineesgezin brengen, waar zij als dienstbode kon fungeren.

Coevorden, in 1945 nog een aardige stad, is later door het Kruidvat en de Zeeman gelijk geworden aan de meeste kleinere plaatsen in ons land. Op het plein voor het mooie stadhuis was zowaar een café geopend. We stapten naar binnen en vader bestelde koffie en voor ons wat limonade. "Limonade en koffie heb ik niet’’, zei de waard, "jullie kunnen bessenwijn krijgen’’. Met een zekere tegenzin werd dat door vader geaccepteerd. "Weet u wat voor dag het vandaag is’’, vroeg vader de man. "Zondag’’ was het antwoord. "Wacht even’’, zei vader. "Jongens, kom mee, op zondag kopen wij niet’’. En verder ging het. Eindelijk kwamen we dan aan het Stieltjeskanaal.

Een enkel turfschip, getrokken door een paard, voer ons voorbij. Door gebrek aan brandstof werd er in de omgeving van Oud-Schoonebeek nog volop turf gestoken. Na enkele kilometers vond vader het genoeg. "We kunnen morgen niet te laat aankomen’’, zei hij. Dus weer bij een boerderij aangeklopt. Ook hier werden we hartelijk ontvangen. De volgende morgen maakte vader het weer even bont. "M’n zoontje heeft graag een eitje’’, zei hij. "Ik ook’’, zei de boer, "maar ik krijg het ook niet’’. "Maar hij heeft het harder nodig, kijk eens hoe hij eruit ziet’’ ging vader verder. De boerin liep naar buiten en een minuut of tien later was daar voor mij het tweede gekookte eitje van de tocht. Vader at de kop op.

Maandag 29 januari 1945, s’middags om twaalf uur – We waren er. Kennissen van kennissen waren het. Ze verwachten een keurig geklede vader met een zoontje. In plaats daarvan verschenen er drie schurftige, vieze mensen. De plaatselijke arts werd geroepen, waarna mijn zusje en ik van onder tot boven met zalf werden ingesmeerd. Daardoor zou het nog veertien dagen duren voordat vader en mijn zusje verder konden.

Vijf maanden verbleef ik op de boerderij. Keizer heetten zij. De boer, zijn vrouw en een dochter van achttien jaar. Vorstelijk werd ik behandeld, als een eigen kind, of beter nog.

Inmiddels was het land bevrijd en kon ik meerijden met een echte legertruck. Terug naar huis. 

Lodewijk van Til

HUNGER MARCH
(January 1945)

"Tonight, you're going early to bed" said mother, "because tomorrow you'll be walking with your father to Drente." "Annie will come along." I already had expected what was going to happen. Two days earlier father had taken me to the hairdresser. That had surprised me already because as a ten-year old I was quite capable to go by myself. Father started a discussion with hairdresser Leensvaar while a was dozing away in the chair till he would start. Suddenly, I got shocked to my senses, "Are you out of your mind, a boy like that will be dead before you reach the Kralingse woods", followed by a series of curses. For father that was enough to take me by my hand to yank me out of the salon.

Wednesday, 10 January. -- Early in the morning we went on our way. Having passed the Kralingse woods, I thought, "I'm still alive." The snow had been pushed in big mounds. Snow clearing equipment had cleared the Utrechtse road so that the German transports could readily pass.

After having walked for a few hours father said, "there, at that villa we will start" and that signaled the start of a begging marathon that would last more than three weeks that would be interrupted only by my 16 year old sister's an my admission to hospital ward.

"Would you, please, have something to eat for us" we asked the domestic. "Dinner has just been finished and I will ask" said the girl. Sure enough after about ten minutes she came back with a plate of potatoes covered with fat gravy. Eagerly we dug into the food. Too quickly really because a potato fell of the plate in the snow. "Pick it up" father said harshly. By the time I looked up again the plate was empty. After having repeatedly thanked the girl we continued on our way again in the direction of Gouda. That we weren't the only so-called "passers by" Became apparent when we reached Gouda. In a cafe, on a chair, we could spend the night. It was very busy in the place. It sold cigarettes and bread. For a rixdollar father was able to buy a sandwich that we divided in three.

When we continued our walk the next day it was snowing lightly. After we had made about ten calls with the question, "would you please have something to eat for us" and the answer was always "No!", father said, "we'll stop this, hunger won't kill us." That was probably the right prediction. Death by starvation is not in a hurry. There are usually a combination of factors that cumulatively will eventually strike you down. But Let's not run ahead of the story. Past Utrecht it would get better. That's where the farmers lived and they had always plenty to eat.

On the road to Woerden we suddenly saw a bread baking plant. "Here they will surely have a few slices of bread for us" said father. You both just wait here for a little while and I will go inside." My sister and I waited in front of the gate. After half an hour father came out shaking his head. He said "They are asking 100 guilders for a loaf of bread." We just didn't have that much money. In a small place beyond Woerden a nice man said, "We don't have food ourselves but you are welcome to sleep in our shed."

The next morning we were on our way by 10:00. Begging as we went along but without much success, we arrived in Hamelen. At a farm, some distance from the road, we were allowed to sleep in the hay. The next morning the farmer woke us up and, in the scullery, we each received a sandwich and a cup of milk and, thereafter, we continued our walk. Late in the afternoon of the fourth day we finally arrived in Utrecht. At 7:00 in the evening we walked along the Keizergracht. It had gotten bitterly cold. In one of the cafes father asked if there was a place to sleep. "No" was the answer but you can go and sit at a table together with the other people.

And there we sat, at a rough wooden table. My father and sister opposite me and next to me a fat lady and a coughing old man. We were served a cup of tea. At least, that was something warm. Suddenly, I heard a strange sound. The head of the old man had banged on the table with blood gulping out of his mouth. Even to me it was clear that he wouldn't make it to the next morning. "Away with that child" screamed the women next to me. "He shouldn't have to see this." I was taken upstairs and there was actually a bed. The next morning when I came down my father and Annie were still sitting at the table that had been scrubbed clean. No one said anything about what had happened. After a cup of tea we again departed for our next stage.

It was snowing lightly and we were walking in the middle of the road. There was hardly any traffic. Because of the snow that had built-up we didn't hear the sound of plodding horse steps. "Mitfahren?" called someone behind us. Two German soldiers sat on the box of a horse drawn wagon. We climbed into the open bed of the wagon and with some speed we went further. In about three-quarter of an hour we were covered by snow. I fell into a slumber and lost consciousness. "He has to wake up otherwise he's not going to make it", I heard in a distance. Or maybe it were the slaps in my face that brought me back to reality. It was a good sensation to come to my senses again and the feeling was reinforced because I woke up in a large, nicely furnished room that was nice and warm. A thin brown-bean soup was poured into my mouth. Now, of course, I had to open my eyes.

Around me there was a lot of talking. Two ladies spoke even in a strange language; probably, French. "We'll take you back by car to Rotterdam" said one of the gentlemen in the room. Father didn't want to hear of it. "We have to get going again" "No further discussion about that" said another gentleman. "These children have to go to hospital. Later you can come back to pick them up again. In the meantime they'll be in good hands."

With a car we were taken to Woudenberg. In the dark loomed a big house or was it a castle. Through a side door we got into a sunroom that had been set up as a hospital room. Two people were in bed. Four beds stood empty. "Maybe the baroness would like to see you" said a young girl of about eighteen who was dressed as a nurse in uniform. She looked at us for a moment and said "and now direct to bed. But first you have to be washed." In a little while my sister and I were in bed and immediately fell asleep. Later I heard that father had slept that night at the castle and that he had been given a lot of food in the kitchen so that he was well fed for his return trip to Rotterdam.

It was late in the morning when I woke up. Next to my bed was a nurse. She said, "You had a nice dream." Maybe that was visible on my face. To share with her the experience I told her that I had a colorful dream about large trucks all fully laden with nicely baked chops and friendly people that poured lemonade in large glasses.

It was on the fourth day in the hospital room that I was summoned to appear before the baroness. I entered a large hall with little furniture but large paintings hanging on the walls; probably, portraits of ancestors. On the right side of the hall was a spiraling staircase with a wide red runner. On the left up against the wall stood a dais with a chair to the side. On a throne sat the baroness. I gained the impression that she regularly held her audience here. I also discerned a butler standing about six meters  to the left of the stairs. He wore a red vest with shiny buttons and his hair was brushed straight back. He was just as I imagined a butler should be dressed. He stood there without moving. The baroness waved her hand and he disappeared. After a while he came back carrying a serving tray in a somewhat exaggerated way holding it at shoulder height. I had seen something like that in a Charley Chaplin film. In a small cellar in the Johannes Brand Street in Rotterdam South they regularly showed films by this actor. But this is a "by-the-way." On the tray in a silver eggcup was a boiled egg.

"Madame the Baroness, your egg!" She said, "Give it this time to the boy there." But madam, "That can't be done." "George, be ashamed" said the baroness in a reprimanding voice. For the first time in years I ate an egg. The baroness asked where I lived, what the name of my sister was etc. I told her many things about myself. She also asked what i had dreamt. She had probably already been told by the nurse. She said "Louis, you have a lot of imagination." My name is Lodewijk but she had changed that on the spot to Louis. The next day I was allowed to walk with her in the garden. Well, garden? It was more like a park where you could loose your way. The walk lasted about three quarters of an hour  and two days later we did it again.

With father there was an agreement that he could pick me up again after eight days. At the agreed hour father turned up. He was on a bicycle without tires. If you had a new-looking bicycle it would be confiscated. After a warm farewell with the nurse and the baroness we again resumed our hongertocht. On departure we had been given enough food to last us for two days, so that we wouldn't be delayed having to beg along the way. The bicycle was more of a hinder than a help but father wanted to keep it. As soon as he would have delivered us in Drente it would still be a long way back for him. During the last few days the temperature had increased and we had heavy rain. Because the snow has washed away we were able to make good progress.

We were glad with the food supply that we had been given; because, for sure, in a city like Amersfoort you could find a sandwich anywhere. We continued the track. Getting tired on that day was out of the question and, so, we arrived in a small place called Nijkerk. Not every farmer was willing to provide accommodation to refugees. Probably, the three of us looked a bit more reliable. Typically, younger people would open the farmers'  milk cans to skim the cream from the top. Just past Nijkerk we succeeded getting a place to sleep in the straw.

In this area begging started to get a little easier. In Putten we were even offered a pancake. I still can see ourselves standing, while I mumbled, "Would you please have a slice of bread for us" I held out my hand. Some discrete distance away stood my father and sister looking over my shoulder, looking their part as helpless and hopeless beggars. Dry bread we didn't have to eat anymore. Sandwiches were packed carefully by father in a linen bag. Then we continued in the direction of Harderwijk. Having arrived we took a rest in a local cafe. Here they had, for not much money, a place to sleep for us. In the attic, where others already slept, were some beds.

The next morning we were on our way again at 9:00. From our meager supplies we ate some sandwiches sitting on a bench outside. Towards the evening, terribly tired, we arrived somewhere near Elburg. Nowhere a place to sleep! What to do? A cloister came in sight. "here we will be able to sleep" said father. He knocked on the large wooden door. A nun opened the door and said "We are totally filled up." Sorry, she said, "but you'll have to try elsewhere." But what about the boy? He is terribly ill. He can't go any further." That wasn't far from the truth. I barely stood and wobbled on my legs. "All right" said the nun, there just happens to be a doctor here. We will find out what he has to say but in any event you can't stay." Later I learned why a doctor "happened" to be there.

We walked through a long passage. At the end stood two beds, one was empty and in the other was a young boy. Next to the bed sat a man in a nice suit. Probably, the doctor. "Just wait here for a little while" said the nun and she whispered something in the doctor's ear. It didn't take long till he said, "Undress yourself but keep your underpants on." "Malnutrition" he said as if he was talking to himself. "He has to stay here for fourteen days." Father said nothing. The nun folded my clothes and put me to bed. Somewhat befuddles I saw my father and sister walk away in the long corridor.

Probably shocked by the word "malnutrition" the nun quickly returned with a stack of sandwiches richly covered with slices of cheese. My neighbor and I got four each. Eagerly I sunk my teeth in the delicacy but the boy just looked on. When I finished the four slices he said, "here's another four." "But these are yours", I replied. "No" he replied, "I'll shortly be dead anyway." "What's your problem" I asked. He said, "I've got consumption." We remained silent for a while but I accepted his sandwiches and hid them under my blankets. After a while I asked, "How old are you?" "fourteen" was his answer. I said "oh" and I thought that's a pretty good age anyway.

I fell asleep like a log. When I woke up the nun stood next to my bed and the bed of the boy was empty. "He died during the night" said the nun. "Did you by any chance hear his last words?" Of course, I knew them but was afraid to say anything because I was worried that I would have to give his sandwiches back to the nun. So I just said "No." In what seemed to be only a few moments later, my father and sister were standing next to my bed. I said, "I have four tasty sandwiches." "Great" said father, "where are your clothes?" They were still on the chair. "Dress yourself" said father "and then we will go." I dressed myself quickly and with the three of us we ran to the passage the nun following us at great speed. Outside father said, "We had a lot of trouble finding a place to sleep." He was worried. At the place that they had last slept he had learned that de bridge over the IJssel would probably be closed. But it wasn't that bad. The bridge was heavily guarded but and we were frisked when we wanted to cross it. But then, we were on our way to Zwolle.

In many of the larger places they had setup "transit houses" where refugees could sleep at night. This was mainly in empty schools where they had placed bunk beds. It was the same in Zwolle where we arrived at 4:00 in the afternoon. Father was sent to the room for men. My sister went to the room for girls and I for boys where I got a bed at the lowest level. I stretched myself out on the bag filled with straw but not for long. "Hey, you there" called a boy of about 16. "Get up. Have you got any bread?" I said "Yes." "Give it to me, otherwise we'll beat you up." "My father has the bread. I'll get him and then he'll beat you up." That frightened the boy. It appeared that I had landed between a little gang." They stole butter out of the farmers milk cans but they too had difficulty in getting bread. We made an arrangement. We would take care of the bread if they would come up with the butter. It took me a while till I had found father. He gave me a stack of sliced bread. In return we got the butter and and after having piled it on we ate the sandwiches with great relish.

Thereafter I quickly fell asleep but not for long. "Razia. Razia" echoed from room to room. All males between the ages of 18 and 50 were being rounded up.  The "brave" bullies were shuddering. There was a good reason, the Germans weren't all that precise and tended to grab anyone that even looked to be in that age range. Orders in German and lots of noise sounded in the corridors. A few seconds later a German soldier entered our room carrying a  rifle carelessly over his arm and with a large hand granate hanging from his belt. It was obvious that he didn't take it too seriously. He walked to the end, turned around and disappeared. I waved at him to distract him but he didn't seem to notice. I was really worried. While my father was 54 but you would never know. When everything appeared to have settle down I got off my straw bag en went to see whether my father hadn't been picked up. And there was father. U just saw his grey hair sticking up from under the blankets. Without disturbing him I went back to the room for the boys. I couldn't sleep anymore.

And then we went on our way again. Along the Dedemsvaart we went. It's a large river that ran from Zwolle to Coevorden. Later on it got filled up and it was turned into a road. Along the Dedemsvaart was, at a slightly higher elevation, the Stieltjes Canal. It had a bridle path. In 1945 is was used by skippers of peat boats. For both the horses and the skippers was the transportation of peat a deadly business. As the allied bombers returned from their bombing raids on Berlin, the accompanying fighter planes (Spitfires) had the tendency to dive and strife anything that moved. Where's the boundary? The result was that, certainly in early-1945, there were dozens of casualties. The wooden cabins didn't protect from the .50 bullets. For example, if a German truck was parked near a farmhouse than the latter also became a target. The result was that innocent farmers and their families did die in such attacks.

We passed a few lesser important places. A kilometer before Ommen we found a farmhouse where, in the evening, were allowed to join at the table an share the meal: potatoes, with gravy, and a small piece of pork. That last was, of course, a great delicacy. We were allowed to sleep in the hay. After we had been treated with milk and bread in the morning we went on our way again.

The next attractive place along the 60 kilometer canal was Hardenberg. Along the Dedemsvaart was no hunger anymore. In the opposite. Even between meal times we were given food here and there. The The Stieltjes Canal was our destination and father was of the opinion that we had enough time. That's why we decided to find a place to sleep in Harderberg. Here too, we were allowed to sleep in the hay stack.

The next day we walked between 15 and 18 km. and we passed Gramsbergen in the afternoon. "Just two more days" said father, "and we're there." But first, again we looked for a place to sleep at a farmhouse. We were lucky as we were well received. The people there were Christian and father was soon into a deep discussion with them. The meal in the evening was substantial: potatoes with green beans. We went early to bed. In the attic were two mattresses large enough for us three.

On the ceiling hung large hams and dried sausages in different sizes. The next morning we were woken by a rooster. Father was already downstairs. When we came down a surprise awaited my sister and me. The farmer and our father were seated opposite each other at the kitchen table. The farmer looked grim and father looked guilty. "You will be leaving immediately", said the farmer, "and he calls himself a Christian." Then we left. Later on I understood that father had fallen for the temptation and had taken one of the sausages. A lot later father was absolved by a bishop who understood the sin committed under the circumstances. Fortunately, there was plenty of "beggars bread." Along the road we sat on a small wall and ate our breakfast.

Our last rest stop would be just passed Coevorden. The family were I would be staying for five months was aware of our proposed arrival but had no idea when we would be arriving. Sending a letter through the mail was still possible but you had to count on it taking a month or more. Afterwards it appeared that they had expected us to arrive by car. Via an acquaintance they has it made known that they would look after the boy for a period of time. My father would thereafter take my sister to a preacher's family in Assen where she would be employed as a household help.

Coevorden was in 1945 still a nice city but later with the establishment of chain stores like Kruidvat and Zeemart had taken on the uniform character of most of the smaller towns in our country. On the square in front of the stately town hall they had actually opened a cafe. We went inside and father ordered coffee and for us lemonade.  "Lemonade and coffee I don't have: said the waiter but, "I could sell you some berry wine." With some reluctance father accepted but then he said, "Do you know what day it is?" "Sunday" was the answer. "Wait a moment" said father. "Kids, come along, we don't buy on Sundays." Continuing we later arrived at the Stieltjes Canal.

An occasional peat boat, pulled by a horse, passed us by. Because of the lack of fuels there was still a lot of excavation in the area of Oud Schoonebeek. After a few more kilometers father thought that it was enough. "We can't arrive too late tomorrow" he said. So, again we knocked on the door of a farmhouse. We were warmly received. The next morning father pushed the limits a little. "My little son would like to have an egg." "Me too" said the farmer "but I'm not getting one either." "But he needs it a lot more, just look at him" father continued. The farmer's wife went outside and ten minutes later she gave me the second egg that I had on this trip. Father ate thr top part of the egg.

Monday, January 29, 1945 at noontime - we arrived. They were acquaintances of acquaintances. They has expected a well dressed father with a young son. Instead, three dirty people with the signs of scabies arrived. The local doctor was called and thereafter we were covered with a foul smelling potion.  It would take fourteen days before my father and sister could continue their trip.

I stayed for five months on that farm. The farmer's family name was "Keizer." They comprised the farmer, his wife and an eighteen year old daughter. They treated me royally, as their own child and probably even better.

Eventually, our country was liberated and I could hitch a ride in a real army truck - back to my house.

Lodewijk van Til


Lenie en Lodewijk van Til - Recente foto genomen op de heide in Weert


Home Up Bakker, J Bakker, T Beld v/d, E Belle van, D Beneker, G Bredius, R.M. Brinkhaus, J Bunk, H Ferdinandus, R Grindrod, F Haan de, N Hut, W Jonge de, A Kasteel. E Klinge, W Koks, G Leeuwen van, E Leeuwen van, Hans Leeuwen van, Jan Lens, J Makaske-Kuijer, J Meurs, H Molenaar, J Oostwoud v/d Panne Pelt van, G Roggeveen - Vat, I Scholman, C Schut, A Smit, L Stans, A & M Struijs v/d, A Til van, L Swijnenburg, G Valk, C Vugt van, A Walle v/d, F & W


Home | A. Reportage | B. Planning | C. Historie | D. Verhalen | E. Reunie | F. Administratief

 Copyright © 2007 www.hongertocht.org. Material may be used with acknowledgement of source.
For questions regarding this Web site contact webmaster@hongertocht.org. Last updated: 05/19/08.