Hongertocht
(januari 1945)
"Je moet
vanavond vroeg naar bed’’, zei moeder, "want morgen ga je met vader
naar Drente lopen”. "Annie gaat ook mee’’. Ik vermoedde wat er zou
gebeuren. Twee dagen hiervoor moest ik met vader naar de kapper. Wat mij
enigszins verbaasde, daar ik als jongen van 10 jaar toch alleen naar de
kapper kon gaan. Vader raakte in gesprek met kapper Leensvaar, terwijl
ik wat doezelig in de scheerstoel zat te wachten tot hij zou beginnen.
Plotseling schrok ik wakker,"Ben je besodemietert, zo’n jongen sterft al
voor je bij het Kralingse bos bent’’, hierna volgde een serie vloeken.
Voor vader was dat voldoende om me bij de hand te grijpen en me de
winkel uit te sleuren.
Woensdag,
10 januari. -- Vroeg in de morgen gingen we op pad. Voorbij het
Kralingse bos dacht ik: ‘’ik leef nog’’. De sneeuw lag hoog opgestapeld.
Sneeuwruimers hadden de Utrechtse weg goed schoon gemaakt, zodat de
Duitse vrachtwagens vrij baan hadden.
Na enkele
uren lopen zei vader, "daar, bij die villa gaan we beginnen‘’. En
dat zou dan ook het begin worden van een ruim drie weken durende
bedeltocht, onderbroken door een opname van mij en mijn 16-jarige zusje
in een ziekenzaaltje.
"Heeft u,
alstublieft iets te eten voor ons‘’, vroegen we aan de dienstbode.
"Het diner is juist afgelopen, ik zal eens gaan vragen’’, zei het
meisje. En zowaar na een minuut of tien kwam ze terug met een bord
aardappels met wat vette jus. Gretig tastten we toe. Te haastig evenwel,
zodat er een aardappel van het bord viel en in de sneeuw belandde, "Raap
op’’, riep vader gebiedend. Toen ik me weer oprichtte, was het bord
schoon. Na het meisje vele malen te hebben bedankt, vervolgden we onze
weg, richting Gouda. Dat we niet de enige, zogenaamde ,,doortrekkers’’
waren, bleek bij de aankomst in Gouda. Op een stoel in een café konden
we de nacht doorbrengen. Het was druk in de zaak. Sigaretten en brood
werden er verhandeld. Voor een rijksdaalder wist vader een boterham te
bemachtigen, die we gedrieënlijk deelden.
Het
sneeuwde licht toen we de volgende dag onze tocht voortzetten. Nadat
we een tiental keren hadden aangebeld en de vraag gesteld," hebt u
alstublieft wat te eten’’, waarop het antwoord luidde: "nee’’, zei
vader, "we stoppen ermee, van de honger ga je niet dood’’. Dit was een
juiste voorspelling. De hongerdood laat lang op zich wachten. Het is
vaak een combinatie van factoren die ervoor zorgt dat je het niet redt.
Maar laat ik niet op de feiten vooruitlopen. Na Utrecht zou het beter
worden: daar woonden de boeren, die voldoende te eten hadden.
Op weg
naar Woerden zagen we plotseling een broodfabriek opduiken. "Hier zullen
ze wel een paar boterhammen voor ons hebben’’, zei vader. "Blijven jullie even wachten, dan ga ik naar binnen’’. Mijn zus en ik
wachtten voor de poort. Na een half uur kwam vader weer naar buiten.
Hoofdschuddend. ,,Ze vragen honderd gulden voor een brood’’ zei hij.
Zoveel geld hadden we niet bij ons. "Eten hebben we zelf niet, maar je
mag wel in de schuur slapen’’, zei een aardige man in een kleine plaats
onder Woerden.
De
volgende morgen gingen we om 10 uur op weg. Al bedelend, zonder veel
succes, kwamen we in Harmelen aan. Bij een boerderij, een eindje van de
weg af, mochten we in het hooi slapen. De andere morgen werden we door
de boer gewekt en kregen we in de bijkeuken ieder twee boterhammen en
een kop melk, waarna we de tocht vervolgden. Laat in de middag van de
vierde dag kwamen we dan eindelijk in Utrecht aan. Om zeven uur ’s
avonds liepen we over de Keizersgracht. Het was bitter koud geworden. In
een van de kroegen vroeg vader of er slaapplaats was. "Nee’’, was het
antwoord, maar jullie mogen wel aan tafel gaan zitten bij die andere
mensen.
Daar zaten we dan aan een ruw houten tafel. Mijn vader en zus
zaten tegenover mij, naast mij een dikke mevrouw en daarnaast een
hoestende oude man. Er werd ons een kop thee geserveerd. Het was
tenminste iets. Plotseling klonk er een vreemd geluid, het hoofd van de
oude man sloeg op de tafel en uit zijn mond rolde het bloed. Zelfs voor
mij was het duidelijk: hij zou de morgen niet meer zien. "Weg met dat
kind’’, gilde de vrouw naast mij. "Hij mag het niet zien’’. Ik werd
naar boven gebracht en daar stond zowaar een bed. De andere morgen toen
ik weer beneden kwam zaten daar mijn vader en Annie nog aan tafel die
verder netjes schoon gewassen was. Over het voorval werd niet meer
gepraat. Na weer een kop thee vertrokken we weer.
Het was
licht gaan sneeuwen. We liepen in het midden van de weg. Verkeer was er
nauwelijks. Door de laag sneeuw die zich weer gevormd had, was het
hoefgetrappel nauwelijks hoorbaar. "Mitfahren?’’, riep iemand achter
ons. Op de bok van een paard en wagen zaten twee Duitse soldaten. We
klommen in de open laadbak en in een draf ging het verder. Na ongeveer
drie kwartier waren we praktisch ingesneeuwd. Ik doezelde in en verloor
het bewustzijn. "Hij moet nu wakker worden anders redt hij het niet’’,
hoorde ik. Of waren het de slagen in mijn gezicht die me weer
terugbrachten tot de werkelijkheid. Het was een prettige gewaarwording
weer bij bewustzijn te komen. Dat gevoel werd versterkt door het feit
dat ik wakker werd in een hele grote, rijk gemeubileerde kamer, waar het
heerlijk warm was. Dunne bruine bonensoep werd in mijn mond gegoten. Nu
moest ik mijn ogen wel open doen.
Om me heen
werd druk gepraat. Enkele dames praatten zelf in een vreemde taal, Frans
waarschijnlijk. "We zullen jullie met de auto naar Rotterdam brengen’’,
zei een van de aanwezige heren. Vader wilde daar echter niet van
horen."We moeten verder’’. "Geen sprake van" zei een van de andere
heren’. " De kinderen moeten opgenomen worden. U kunt later terugkomen om
ze op te halen. We regelen dat verder wel. Voorlopig zijn ze in goede
handen.’’
Met de
auto werden we naar Woudenberg gebracht. In het donker doemde een
heel groot huis, of was het een kasteel, op. Door een zijdeur kwamen we
in een serre, die ingericht was als een ziekenzaaltje. Er lagen twee
mensen in bed. Vier bedden stonden leeg. "Misschien wil mevrouw de
barones jullie even zien’’, zei een, in verpleegstersuniform gestoken
meisje van een jaar of achttien. Even later kwam een oude dame binnen.
Ze bekeek ons heel even. "Direct in bed’’, zei ze. "Maar eerst moeten
ze gewassen worden’’. Na enige tijd lagen m’n zus en ik in bed en vielen
dan ook direct in slaap. Later hoorde ik dat vader die nacht op het
kasteel geslapen had en ’s ochtends volop eten had gekregen in de
keuken, zodat hij weldoorvoed naar Rotterdam terug kon lopen.
Het was al
laat in de morgen toen ik ontwaakte. Naast mijn bed zat de
verpleegster. "Je hebt een mooie droom gehad’’, zei ze. Dit was
waarschijnlijk aan mijn gezicht te zien geweest. Mede om haar een
plezier te doen vertelde ik een kleurrijke droom over vrachtwagens vol
met heerlijk gebakken karbonades en vriendelijke mensen die limonade
schonken in grote glazen.
Het zal de
vierde dag van ons verblijf in het ziekenzaaltje zijn geweest dat ik
bij de barones ontboden werd. Ik kwam een grote hal binnen, karig
gemeubileerd met aan de wanden grote schilderijen, waarschijnlijk de
portretten van voorouders. Rechts van de hal was een grote wenteltrap
met een brede rode loper. Links tegen de muur stond een soort troon met
een stoeltje ernaast. Op de troon zat de barones. Het geheel wekte de
indruk dat de barones hier regelmatig audiëntie hield. Ik mocht naast
haar gaan zitten. Nu ontwaarde ik ook de butler. Hij stond op een meter
of zes afstand links naast de trap. Een rood vest met glimmende knopen,
zijn haar strak naar achteren gekamd. Kortom, zoals een butler eruit
hoort te zien. Roerloos stond hij daar. De barones wuifde en de butler
verdween. Even later kwam hij terug. Hij droeg een dienblad op een wat
potsierlijke manier . Op schouderhoogte. Iets wat ik eerder bij Charley
Chaplin had gezien. In een keldertje in de Johannes Brandstraat in
Rotterdam-zuid werd voor de jeugd filmpjes van genoemde artiest
gedraaid. Maar dit terzijde. Op het blad stond in een zilver dopje: een
eitje.
"Mevrouw
de barones, Uw ei’’. "Geef het deze keer maar aan de jongen hier’’.
"Mevrouw, dat kan toch niet’’."George, schaam je’’, zei de barones
bestraffend. "Voor het eerst sinds jaren at ik een ei. De barones vroeg
me waar ik woonde, hoe mijn zusje heette enz. Ik vertelde allerlei
dingen over mezelf. Ook vroeg ze wat ik droomde. Waarschijnlijk was ze
door de verpleegster goed geïnformeerd. "Louis’’, zei ze, "je hebt een
grote fantasie’’. Mijn naam: Lodewijk, had ze ter plekke omgedoopt in
Louis. De volgende dag al mocht ik met de barones in de tuin wandelen.
Nou ja: tuin. Het was een park waarin je kon verdwalen. De wandeling
duurde zo’n drie kwartier. De wandeling werd twee dagen later nogmaals
herhaald.
Met vader
was afgesproken dat hij ons na acht dagen kon afhalen. Op het
afgesproken tijdstip kwam vader aan. Op een oude fiets, zonder banden.
Een nieuwe fiets was natuurlijk direct in beslag genomen. Na een
hartelijk afscheid van de verpleegster en de barones gingen we weer op
pad. We hadden voor twee dagen eten meegekregen, zodat we niet werden
opgehouden door het gebedel. De fiets was min of meer een handicap, maar
vader wilde hem toch behouden. Als hij ons in Drente afgeleverd had zou
er voor hem nog een weg terug zijn. Gedurende de afgelopen dagen was de
temperatuur gestegen en was het flink gaan regenen. Doordat de
sneeuwlaag was verdwenen konden we flink opschieten.
We waren
blij met het eten dat we hadden meegekregen, want zeker in een stad als
Amersfoort was geen boterham te vinden. Verder ging het. Van
vermoeidheid was die dag geen sprake. Zo bereikten we het plaatsje
Nijkerk. Niet elke boer verleende onderdak aan doortrekkers. Nu zagen
wij drieën er redelijk betrouwbaar uit. Het waren vooral jongere mensen
die de room uit de melkbussen stalen. Even voorbij Nijkerk gelukte het
ons weer een plaatsje in het hooi te bemachtigen.
Het
bedelen ging in deze omgeving wat gemakkelijker. In Putten kregen
we zelfs een pannenkoek aangeboden. Ik zie ons nog staan: Terwijl ik
prevelde: "Hebt u misschien een boterham voor ons’’, hield ik mijn hand
op. Schuin achter mij stonden mijn vader en m’n zusje, als een decor van
hulpeloosheid. Droog brood behoefden we al niet meer op te eten. Deze
boterhammen werden door vader keurig in een linnen zak bewaard. Verder
ging het richting Harderwijk Daar aangekomen rustten we wat in het
plaatselijke café. Hier had men, voor weinig geld, een slaapplaats voor
ons. Op de zolder waar nog enkele mensen lagen stonden wat bedden.
De andere
morgen om negen uur gingen we weer op pad. Uit eigen voorraad aten
we op een bankje wat boterhammen. Tegen de avond, dodelijk vermoeid dit
keer, kwamen we in de buurt van Elburg. Nergens slaapplaats. Wat te
doen. Een klooster doemde op. "Hier kunnen we wel slapen’’, zei vader.
Vader klopte aan de kloosterdeur. Door een non werd er opengedaan. "We
zitten helemaal vol’’ zei ze. "Jammer, maar jullie het ergens anders
moeten proberen’’. "Maar de jongen dan, hij is doodziek, hij kan niet
verder’’. Dit was niet ver bezijden de waarheid. Ik stond, zogezegd, te
tollen op mijn benen. "Goed’’, zei de non, "er is toevallig een dokter.
We zullen kijken wat die zegt. Maar jullie moeten in ieder geval weg’’.
Iets later zou blijken waarom er "toevallig’’ een arts was.
We liepen
door een lange gang. Aan het eind stonden twee bedden Eén van de bedden
was leeg en in het andere lag een jongen. Naast zijn bed zat een man in
een keurig kostuum. Waarschijnlijk de arts. "Wachten jullie hier maar
even’’, zei de non en ze fluisterde de arts iets in zijn oor. Het duurde
niet lang of de man zei tegen mij: "kleed je maar uit, het broekje kan
je aanhouden’’. "Ondervoeding’’, zei hij even later in het algemeen.
"Hij moet veertien dagen hier blijven’’. Vader zei niets. De non vouwde
mijn kleren op en legde me in bed. Een beetje verdwaast zag ik mijn
vader en mijn zus de gang uit lopen.
Waarschijnlijk geschrokken door het woord "ondervoed’’ verscheen de non
even later met een stapel boterhammen belegt met een dikke plak kaas.
Mijn buurman en ik kregen er ieder vier. Gretig zette ik mijn tanden in
de lekkernij. De jongen naast mij keek toe. Toen ik de boterhammen op
had, zei hij: "hier heb je er nog vier’’. "Maar die zijn toch voor
jou’’, zei ik. "Nee’’, zei
hij, "ik ga straks toch dood’’. "Wat heb je dan ‘’, zei ik. "Tering’’,
antwoordde hij. We zwegen
even. Ik wist ook zo gauw niet wat ik zeggen moest, maar ik pakte wel de
boterhammen aan en stopte die onder de dekens. Na enige tijd zei ik:
"hoe oud ben jij’’. "Veertien’’, zei hij. "O’’, en ik dacht: dat is
toch een aardige leeftijd.
Ik viel
als een blok in slaap. Toen ik wakker werd stond de non naast mijn bed
en het bed van de jongen was leeg. "Hij is vannacht overleden’’, zei de
non. "Weet jij wat zijn laatste woorden waren’’. Ik wist het wel, maar
durfde het niet te zeggen. Bang dat ik die vier lekkere boterhammen weer
in moest leveren. "Nee’’, zei ik dus. Even later
stonden mijn vader en mijn zus naast mijn bed. "Ik heb vier lekkere
boterhammen’’, zei ik. "Goed’’, zei vader, "en waar zijn je kleren’’.
Die lagen nog op een stoel. "Trek ze aan’’, zei vader, "dan gaan we’’.
Vlug kleedde ik me aan en met z’n drieën holden we de gang door. De non
achter ons aan. Buiten
gekomen zei vader nog: "We hadden de grootste moeite om een slaapplaats
te vinden’’. Hij maakte zich ongerust. Op het adres waar ze hadden
overnacht had hij vernomen dat de brug over de IJssel waarschijnlijk
afgesloten zou worden. Het viel mee. Wel werd de brug streng bewaakt.
Ook wij werden gefouilleerd. Verder
ging het richting Zwolle.
In veel
grotere plaatsen had men voor zogenaamde "doorgangshuizen’’ gezorgd.
Dat waren dan meestal leegstaande scholen met in verschillende lokalen
stapelbedden. Zo ook in
Zwolle, waar we al om vier uur in de middag aankwamen. Vader werd
naar de mannenzaal verwezen. M’n zus de meisjeszaal en ik op de
jongenszaal, waar ik het onderste bed kreeg toegewezen. Op de strozak
strekte ik me uit. Maar niet lang. "Hé, ventje’’, riep een jongen van
een jaar of zestien, "sta jij eens op, heb je brood bij je?’
"Ja’’, zei
ik. "Geef hier’’, zei de jongen, "anders slaan we je in elkaar’’.
"Mijn vader heeft het brood, ik zal hem even halen en dan slaat hij
jullie in elkaar’’. Dit schrok de knaap even af. Ik bleek tussen een
jongensbende te zijn belandt. Zij stalen dus room (boter) uit de
melkbussen, maar het was ook voor hen een beetje moeilijk om aan
boterhammen te komen. We maakten
een afspraak: ik zou boterhammen halen en zij zorgden voor de boter. Het
was even zoeken voor ik vader gevonden had. Hij gaf mij een stapel droge
boterhammen mee. Wat hebben wij gegeten: boterhammen met zo’n
centimeter dik boter.
Daarna
sliep ik spoedig in, maar niet voor lang. "Razzia, razzia’’, gonsde het
door de lokalen. Alle
mannen tussen 18 en 50 worden opgehaald. De stoere
jongens zaten meteen in zak en as. En daar was reden voor: de Duitsers
keken zo nauw niet. Bevelen in het Duits en veel lawaai op de gang. Niet
veel later kwam een Duitse soldaat de zaal binnen. Het geweer achteloos
in de hand. Een grote handgranaat tussen de koppel. Het was duidelijk
dat hij het wel geloofde. Hij liep tot achteraan, keerde zich om en
verdween. Ik zwaaide nog naar hem, maar hij lette er niet op. Intussen
was ik me wel bezorgd gaan maken. Mijn vader was weliswaar 54 jaar, maar
je kon nooit weten. Toen de rust was weergekeerd stapte ik van de
strozak en ging kijken of hij niet meegenomen was. En daar lag vader. Ik
zag zijn grijze haren boven de deken uitkomen. Zonder hem te storen ging
ik terug naar de jongenszaal. Van slapen kwam niet veel meer.
Daar
gingen we weer op pad. Langs de Dedemsvaart ging het nu. Een grote
rivier die van Zwolle tot Coevorden liep. Later is hij gedempt. Langs de
Dedemsvaart en ook langs het hoger gelegen Stieltjeskanaal liep een
jaagpad. In 1945 nog gebruikt door turfschippers. Zowel voor het paard
als voor de schipper was het vervoer van turf in de laatste jaren van de
oorlog levensgevaarlijk. Als de geallieerden terugkwamen van Berlijn
waar ze hun bommen hadden laten vallen, wilden de begeleidende jagers
(Spitfires) nogal eens naar beneden duiken. Waar is de grens? Het
resultaat was dat, zeker begin 1945, tientallen mensen het leven lieten.
Het houten kombuisje van de turfscheepjes was niet bestand tegen de punt
50-ers. Stond er toevallig een Duitse vrachtwagen bij een boerderij voor
de deur, dan lag ook dit voorwerp onder vuur. Met als resultaat dat een
of meerdere mensen uit de boerderij het niet na konden vertellen.
We
passeerden wat minder belangrijke plaatsen. Een kilometer voor Ommen
vonden we een boerderij waar we ’s avonds aan tafel mee mochten eten:
aardappels, wat sju en een klein stukje gebakken spek. Dat laatste was
natuurlijk een ware lekkernij. In het hooi mochten we slapen. Na ’s
morgens op melk en brood getrakteerd te zijn gingen we weer verder.
De
volgende pleisterplaats aan de 60-kilometerlange vaart was Hardenberg.
Langs de Dedemsvaart werd geen honger meer geleden. In tegendeel. Zelfs
tussen de middag kregen we hier en daar te eten. Het
Stieltjeskanaal was het einddoel en vader vond dat we de tijd hadden.
Vandaar dat we ook in Hardenberg een slaapplaats zochten. Ook hier
mochten we de hooischuur opzoeken.
De
volgende dag liepen we zo’n 15 tot 18 kilometer en passeerden in de
middag Gramsbergen. "Nog twee dagen’’, zei vader, "en we zijn er’’. Eerst maar
weer een boerderij opgezocht. We troffen het: hartelijk werden we
ontvangen. De mensen waren ook christelijk en vader was weldra in een
druk gesprek gewikkeld. Het eten
’s avonds was prima: aardappels met bonen. We gingen
vroeg te bed. Op de zolder lagen twee matrassen waarop we makkelijk met
z’n drieën konden slapen.
Aan de
zoldering hingen grote hammen en worsten in alle maten. De andere
morgen werden we door een haan gewekt. Vader was blijkbaar al beneden. Beneden
gekomen kwamen mijn zusje en ik voor een verrassing te staan. Aan tafel
zaten de boer en vader tegenover elkaar. De boer keek grimmig en vader
schuldbewust. "Jullie gaan meteen weg’’, zei de boer. "En dat noemt
zich christelijk’’ zei hij erachteraan. Daar
gingen we dan. Later
begreep ik dat vader de verleiding niet had kunnen weerstaan en zich
vergrepen had aan een van de vele worsten. Nog veel later zou er een
bisschop zijn die dit gedrag goedkeurde. Gelukkig
hadden we bedelbrood in overvloed. Zodat we langs de weg op een klein
muurtje ontbeten.
Voorbij
Coevorden zou onze laatste stopplaats zijn. Het gezin waar ik vijf
maanden zou verblijven was weliswaar op de hoogte van onze komst, maar
ze hadden geen flauw idee wanneer we precies zouden arriveren. Het
verzenden van een brief was mogelijk, maar je moest niet op een maand
kijken. Achteraf bleek dat men verwacht had dat we met een auto zouden
komen. Via kennissen had men laten weten wel bereid te zijn een jongetje
voor enige tijd op te nemen. Mijn vader zou m’n zusje daarna in Assen
bij een domineesgezin brengen, waar zij als dienstbode kon fungeren.
Coevorden,
in 1945 nog een aardige stad, is later door het Kruidvat en de Zeeman
gelijk geworden aan de meeste kleinere plaatsen in ons land. Op het
plein voor het mooie stadhuis was zowaar een café geopend. We stapten
naar binnen en vader bestelde koffie en voor ons wat limonade.
"Limonade en koffie heb ik niet’’, zei de waard, "jullie kunnen
bessenwijn krijgen’’. Met een zekere tegenzin werd dat door vader
geaccepteerd. "Weet u wat voor dag het vandaag is’’, vroeg vader de
man. "Zondag’’ was het antwoord. "Wacht even’’, zei vader. "Jongens,
kom mee, op zondag kopen wij niet’’. En verder ging het. Eindelijk
kwamen we dan aan het Stieltjeskanaal.
Een enkel
turfschip, getrokken door een paard, voer ons voorbij. Door gebrek aan
brandstof werd er in de omgeving van Oud-Schoonebeek nog volop turf
gestoken. Na enkele
kilometers vond vader het genoeg. "We kunnen morgen niet te laat
aankomen’’, zei hij. Dus weer bij een boerderij aangeklopt. Ook hier
werden we hartelijk ontvangen. De volgende
morgen maakte vader het weer even bont. "M’n zoontje heeft graag een
eitje’’, zei hij. "Ik ook’’, zei de boer, "maar ik krijg het ook
niet’’. "Maar hij heeft het harder nodig, kijk eens hoe hij eruit
ziet’’ ging vader verder. De boerin liep naar buiten en een minuut of
tien later was daar voor mij het tweede gekookte eitje van de tocht.
Vader at de kop op.
Maandag 29
januari 1945, s’middags om twaalf uur – We waren er. Kennissen van
kennissen waren het. Ze verwachten een keurig geklede vader met een
zoontje. In plaats daarvan verschenen er drie schurftige, vieze mensen.
De plaatselijke arts werd geroepen, waarna mijn zusje en ik van onder
tot boven met zalf werden ingesmeerd. Daardoor zou het nog veertien
dagen duren voordat vader en mijn zusje verder konden.
Vijf
maanden verbleef ik op de boerderij. Keizer heetten zij. De boer, zijn
vrouw en een dochter van achttien jaar. Vorstelijk werd ik behandeld,
als een eigen kind, of beter nog.
Inmiddels was
het land bevrijd en kon ik meerijden met een echte legertruck. Terug
naar huis.
Lodewijk van Til |
HUNGER MARCH
(January 1945)
"Tonight, you're going early to bed"
said mother, "because tomorrow you'll be walking with your father to
Drente." "Annie will come along." I already had expected what was going
to happen. Two days earlier father had taken me to the hairdresser. That
had surprised me already because as a ten-year old I was quite capable
to go by myself. Father started a discussion with hairdresser Leensvaar
while a was dozing away in the chair till he would start. Suddenly, I
got shocked to my senses, "Are you out of your mind, a boy like that
will be dead before you reach the Kralingse woods", followed by a series
of curses. For father that was enough to take me by my hand to yank me
out of the salon.
Wednesday, 10 January. -- Early in the morning we went on our
way. Having passed the Kralingse woods, I thought, "I'm still alive."
The snow had been pushed in big mounds. Snow clearing equipment had
cleared the Utrechtse road so that the German transports could readily
pass. After
having walked for a few hours father said, "there, at that villa we
will start" and that signaled the start of a begging marathon that would
last more than three weeks that would be interrupted only by my 16 year
old sister's an my admission to hospital ward.
"Would you, please, have something
to eat for us" we asked the domestic. "Dinner has just been finished and
I will ask" said the girl. Sure enough after about ten minutes she came
back with a plate of potatoes covered with fat gravy. Eagerly we dug
into the food. Too quickly really because a potato fell of the plate in
the snow. "Pick it up" father said harshly. By the time I looked up
again the plate was empty. After having repeatedly thanked the girl we
continued on our way again in the direction of Gouda. That we weren't
the only so-called "passers by" Became apparent when we reached Gouda.
In a cafe, on a chair, we could spend the night. It was very busy in the
place. It sold cigarettes and bread. For a rixdollar father was able to
buy a sandwich that we divided in three.
When we continued our walk the
next day it was snowing lightly. After we had made about ten calls with
the question, "would you please have something to eat for us" and the
answer was always "No!", father said, "we'll stop this, hunger won't
kill us." That was probably the right prediction. Death by starvation is
not in a hurry. There are usually a combination of factors that
cumulatively will eventually strike you down. But Let's not run ahead of
the story. Past Utrecht it would get better. That's where the farmers
lived and they had always plenty to eat.
On the road to Woerden we suddenly
saw a bread baking plant. "Here they will surely have a few slices of
bread for us" said father. You both just wait here for a little while
and I will go inside." My sister and I waited in front of the gate.
After half an hour father came out shaking his head. He said "They are
asking 100 guilders for a loaf of bread." We just didn't have that much
money. In a small place beyond Woerden a nice man said, "We don't have
food ourselves but you are welcome to sleep in our shed."
The next morning
we were on our way by 10:00. Begging as we went along but without much
success, we arrived in Hamelen. At a farm, some distance from the road,
we were allowed to sleep in the hay. The next morning the farmer woke us
up and, in the scullery, we each received a sandwich and a cup of milk
and, thereafter, we continued our walk. Late in the afternoon of the
fourth day we finally arrived in Utrecht. At 7:00 in the evening we
walked along the Keizergracht. It had gotten bitterly cold. In one of
the cafes father asked if there was a place to sleep. "No" was the
answer but you can go and sit at a table together with the other people.
And there we sat, at a rough
wooden table. My father and sister opposite me and next to me a fat lady
and a coughing old man. We were served a cup of tea. At least, that was
something warm. Suddenly, I heard a strange sound. The head of the old
man had banged on the table with blood gulping out of his mouth. Even to
me it was clear that he wouldn't make it to the next morning. "Away with
that child" screamed the women next to me. "He shouldn't have to see
this." I was taken upstairs and there was actually a bed. The next
morning when I came down my father and Annie were still sitting at the
table that had been scrubbed clean. No one said anything about what had
happened. After a cup of tea we again departed for our next stage.
It was snowing lightly and we were
walking in the middle of the road. There was hardly any traffic. Because
of the snow that had built-up we didn't hear the sound of plodding horse
steps. "Mitfahren?" called someone behind us. Two German soldiers sat on
the box of a horse drawn wagon. We climbed into the open bed of the
wagon and with some speed we went further. In about three-quarter of an
hour we were covered by snow. I fell into a slumber and lost
consciousness. "He has to wake up otherwise he's not going to make it",
I heard in a distance. Or maybe it were the slaps in my face that
brought me back to reality. It was a good sensation to come to my senses
again and the feeling was reinforced because I woke up in a large,
nicely furnished room that was nice and warm. A thin brown-bean soup was
poured into my mouth. Now, of course, I had to open my eyes.
Around me there was a lot of
talking. Two ladies spoke even in a strange language; probably, French.
"We'll take you back by car to Rotterdam" said one of the gentlemen in
the room. Father didn't want to hear of it. "We have to get going again"
"No further discussion about that" said another gentleman. "These
children have to go to hospital. Later you can come back to pick them up
again. In the meantime they'll be in good hands."
With a car we were taken to
Woudenberg. In the dark loomed a big house or was it a castle. Through a
side door we got into a sunroom that had been set up as a hospital room.
Two people were in bed. Four beds stood empty. "Maybe the baroness would
like to see you" said a young girl of about eighteen who was dressed as
a nurse in uniform. She looked at us for a moment and said "and now
direct to bed. But first you have to be washed." In a little while my
sister and I were in bed and immediately fell asleep. Later I heard that
father had slept that night at the castle and that he had been given a
lot of food in the kitchen so that he was well fed for his return trip
to Rotterdam.
It was late in the morning when I
woke up. Next to my bed was a nurse. She said, "You had a nice dream."
Maybe that was visible on my face. To share with her the experience I
told her that I had a colorful dream about large trucks all fully laden
with nicely baked chops and friendly people that poured lemonade in
large glasses.
It was on the fourth day in the
hospital room that I was summoned to appear before the baroness. I
entered a large hall with little furniture but large paintings hanging
on the walls; probably, portraits of ancestors. On the right side of the
hall was a spiraling staircase with a wide red runner. On the left up
against the wall stood a dais with a chair to the side. On a throne sat
the baroness. I gained the impression that she regularly held her
audience here. I also discerned a butler standing about six meters
to the left of the stairs. He wore a red vest with shiny buttons and his
hair was brushed straight back. He was just as I imagined a butler
should be dressed. He stood there without moving. The baroness waved her
hand and he disappeared. After a while he came back carrying a serving
tray in a somewhat exaggerated way holding it at shoulder height. I had
seen something like that in a Charley Chaplin film. In a small cellar in
the Johannes Brand Street in Rotterdam South they regularly showed films
by this actor. But this is a "by-the-way." On the tray in a silver
eggcup was a boiled egg.
"Madame the Baroness, your egg!"
She said, "Give it this time to the boy there." But madam, "That can't
be done." "George, be ashamed" said the baroness in a reprimanding
voice. For the first time in years I ate an egg. The baroness asked
where I lived, what the name of my sister was etc. I told her many
things about myself. She also asked what i had dreamt. She had probably
already been told by the nurse. She said "Louis, you have a lot of
imagination." My name is Lodewijk but she had changed that on the spot
to Louis. The next day I was allowed to walk with her in the garden.
Well, garden? It was more like a park where you could loose your way.
The walk lasted about three quarters of an hour and two days later
we did it again.
With father there was an agreement
that he could pick me up again after eight days. At the agreed hour
father turned up. He was on a bicycle without tires. If you had a
new-looking bicycle it would be confiscated. After a warm farewell with
the nurse and the baroness we again resumed our hongertocht. On
departure we had been given enough food to last us for two days, so that
we wouldn't be delayed having to beg along the way. The bicycle was more
of a hinder than a help but father wanted to keep it. As soon as he
would have delivered us in Drente it would still be a long way back for
him. During the last few days the temperature had increased and we had
heavy rain. Because the snow has washed away we were able to make good
progress.
We were glad with the food supply
that we had been given; because, for sure, in a city like Amersfoort you
could find a sandwich anywhere. We continued the track. Getting tired on
that day was out of the question and, so, we arrived in a small place
called Nijkerk. Not every farmer was willing to provide accommodation to
refugees. Probably, the three of us looked a bit more reliable.
Typically, younger people would open the farmers' milk cans to
skim the cream from the top. Just past Nijkerk we succeeded getting a
place to sleep in the straw.
In this area begging started to
get a little easier. In Putten we were even offered a pancake. I still
can see ourselves standing, while I mumbled, "Would you please have a
slice of bread for us" I held out my hand. Some discrete distance away
stood my father and sister looking over my shoulder, looking their part
as helpless and hopeless beggars. Dry bread we didn't have to eat
anymore. Sandwiches were packed carefully by father in a linen bag. Then
we continued in the direction of Harderwijk. Having arrived we took a
rest in a local cafe. Here they had, for not much money, a place to
sleep for us. In the attic, where others already slept, were some beds.
The next morning we were on our
way again at 9:00. From our meager supplies we ate some sandwiches
sitting on a bench outside. Towards the evening, terribly tired, we
arrived somewhere near Elburg. Nowhere a place to sleep! What to do? A
cloister came in sight. "here we will be able to sleep" said father. He
knocked on the large wooden door. A nun opened the door and said "We are
totally filled up." Sorry, she said, "but you'll have to try elsewhere."
But what about the boy? He is terribly ill. He can't go any further."
That wasn't far from the truth. I barely stood and wobbled on my legs.
"All right" said the nun, there just happens to be a doctor here. We
will find out what he has to say but in any event you can't stay." Later
I learned why a doctor "happened" to be there.
We walked through a long passage.
At the end stood two beds, one was empty and in the other was a young
boy. Next to the bed sat a man in a nice suit. Probably, the doctor.
"Just wait here for a little while" said the nun and she whispered
something in the doctor's ear. It didn't take long till he said,
"Undress yourself but keep your underpants on." "Malnutrition" he said
as if he was talking to himself. "He has to stay here for fourteen
days." Father said nothing. The nun folded my clothes and put me to bed.
Somewhat befuddles I saw my father and sister walk away in the long
corridor.
Probably shocked by the word "malnutrition" the
nun quickly returned with a stack of sandwiches richly covered with
slices of cheese. My neighbor and I got four each. Eagerly I sunk my
teeth in the delicacy but the boy just looked on. When I finished the
four slices he said, "here's another four." "But these are yours", I
replied. "No" he replied, "I'll shortly be dead anyway." "What's your
problem" I asked. He said, "I've got consumption." We remained silent
for a while but I accepted his sandwiches and hid them under my
blankets. After a while I asked, "How old are you?" "fourteen" was his
answer. I said "oh" and I thought that's a pretty good age anyway.
I fell asleep like a log. When I woke up the nun stood
next to my bed and the bed of the boy was empty. "He died during the
night" said the nun. "Did you by any chance hear his last words?" Of
course, I knew them but was afraid to say anything because I was worried
that I would have to give his sandwiches back to the nun. So I just said
"No." In what seemed to be only a few moments later, my father and
sister were standing next to my bed. I said, "I have four tasty
sandwiches." "Great" said father, "where are your clothes?" They were
still on the chair. "Dress yourself" said father "and then we will go."
I dressed myself quickly and with the three of us we ran to the passage
the nun following us at great speed. Outside father said, "We had a lot
of trouble finding a place to sleep." He was worried. At the place that
they had last slept he had learned that de bridge over the IJssel would
probably be closed. But it wasn't that bad. The bridge was heavily
guarded but and we were frisked when we wanted to cross it. But then, we
were on our way to Zwolle.
In many of the larger places they
had setup "transit houses" where refugees could sleep at night. This was
mainly in empty schools where they had placed bunk beds. It was the same
in Zwolle where we arrived at 4:00 in the afternoon. Father was sent to
the room for men. My sister went to the room for girls and I for boys
where I got a bed at the lowest level. I stretched myself out on the bag
filled with straw but not for long. "Hey, you there" called a boy of
about 16. "Get up. Have you got any bread?" I said "Yes." "Give it to
me, otherwise we'll beat you up." "My father has the bread. I'll get him
and then he'll beat you up." That frightened the boy. It appeared that I
had landed between a little gang." They stole butter out of the farmers
milk cans but they too had difficulty in getting bread. We made an
arrangement. We would take care of the bread if they would come up with
the butter. It took me a while till I had found father. He gave me a
stack of sliced bread. In return we got the butter and and after having
piled it on we ate the sandwiches with great relish.
Thereafter I quickly fell asleep but not for long.
"Razia. Razia" echoed from room to room. All males between the ages of
18 and 50 were being rounded up. The "brave" bullies were
shuddering. There was a good reason, the Germans weren't all that
precise and tended to grab anyone that even looked to be in that age
range. Orders in German and lots of noise sounded in the corridors. A
few seconds later a German soldier entered our room carrying a
rifle carelessly over his arm and with a large hand granate hanging from
his belt. It was obvious that he didn't take it too seriously. He walked
to the end, turned around and disappeared. I waved at him to distract
him but he didn't seem to notice. I was really worried. While my father
was 54 but you would never know. When everything appeared to have settle
down I got off my straw bag en went to see whether my father hadn't been
picked up. And there was father. U just saw his grey hair sticking up
from under the blankets. Without disturbing him I went back to the room
for the boys. I couldn't sleep anymore.
And then we went on our way again. Along the
Dedemsvaart we went. It's a large river that ran from Zwolle to
Coevorden. Later on it got filled up and it was turned into a road.
Along the Dedemsvaart was, at a slightly higher elevation, the Stieltjes
Canal. It had a bridle path. In 1945 is was used by skippers of peat
boats. For both the horses and the skippers was the transportation of
peat a deadly business. As the allied bombers returned from their
bombing raids on Berlin, the accompanying fighter planes (Spitfires) had
the tendency to dive and strife anything that moved. Where's the
boundary? The result was that, certainly in early-1945, there were
dozens of casualties. The wooden cabins didn't protect from the .50
bullets. For example, if a German truck was parked near a farmhouse than
the latter also became a target. The result was that innocent farmers
and their families did die in such attacks.
We passed a few lesser important places. A
kilometer before Ommen we found a farmhouse where, in the evening, were
allowed to join at the table an share the meal: potatoes, with gravy,
and a small piece of pork. That last was, of course, a great delicacy.
We were allowed to sleep in the hay. After we had been treated with milk
and bread in the morning we went on our way again.
The next attractive place along the 60 kilometer
canal was Hardenberg. Along the Dedemsvaart was no hunger anymore. In
the opposite. Even between meal times we were given food here and there.
The The Stieltjes Canal was our destination and father was of the
opinion that we had enough time. That's why we decided to find a place
to sleep in Harderberg. Here too, we were allowed to sleep in the hay
stack.
The next day we walked between 15 and 18 km. and
we passed Gramsbergen in the afternoon. "Just two more days" said
father, "and we're there." But first, again we looked for a place to
sleep at a farmhouse. We were lucky as we were well received. The people
there were Christian and father was soon into a deep discussion with
them. The meal in the evening was substantial: potatoes with green
beans. We went early to bed. In the attic were two mattresses large
enough for us three. On the
ceiling hung large hams and dried sausages in different sizes. The
next morning we were woken by a rooster. Father was already downstairs.
When we came down a surprise awaited my sister and me. The farmer and
our father were seated opposite each other at the kitchen table. The
farmer looked grim and father looked guilty. "You will be leaving
immediately", said the farmer, "and he calls himself a Christian." Then
we left. Later on I understood that father had fallen for the temptation
and had taken one of the sausages. A lot later father was absolved by a
bishop who understood the sin committed under the circumstances.
Fortunately, there was plenty of "beggars bread." Along the road we sat
on a small wall and ate our breakfast.
Our last rest stop would be just
passed Coevorden. The family were I would be staying for five months was
aware of our proposed arrival but had no idea when we would be arriving.
Sending a letter through the mail was still possible but you had to
count on it taking a month or more. Afterwards it appeared that they had
expected us to arrive by car. Via an acquaintance they has it made known
that they would look after the boy for a period of time. My father would
thereafter take my sister to a preacher's family in Assen where she
would be employed as a household help.
Coevorden was in 1945 still a nice
city but later with the establishment of chain stores like Kruidvat and
Zeemart had taken on the uniform character of most of the smaller towns
in our country. On the square in front of the stately town hall they had
actually opened a cafe. We went inside and father ordered coffee and for
us lemonade. "Lemonade and coffee I don't have: said the waiter
but, "I could sell you some berry wine." With some reluctance father
accepted but then he said, "Do you know what day it is?" "Sunday" was
the answer. "Wait a moment" said father. "Kids, come along, we don't buy
on Sundays." Continuing we later arrived at the Stieltjes Canal.
An occasional peat boat, pulled by
a horse, passed us by. Because of the lack of fuels there was still a
lot of excavation in the area of Oud Schoonebeek. After a few more
kilometers father thought that it was enough. "We can't arrive too late
tomorrow" he said. So, again we knocked on the door of a farmhouse. We
were warmly received. The next morning father pushed the limits a
little. "My little son would like to have an egg." "Me too" said the
farmer "but I'm not getting one either." "But he needs it a lot more,
just look at him" father continued. The farmer's wife went outside and
ten minutes later she gave me the second egg that I had on this trip.
Father ate thr top part of the egg.
Monday, January 29, 1945 at noontime - we arrived.
They were acquaintances of acquaintances. They has expected a well
dressed father with a young son. Instead, three dirty people with the
signs of scabies arrived. The local doctor was called and thereafter we
were covered with a foul smelling potion. It would take fourteen
days before my father and sister could continue their trip.
I stayed for five months on that farm. The
farmer's family name was "Keizer." They comprised the farmer, his wife
and an eighteen year old daughter. They treated me royally, as their own
child and probably even better.
Eventually, our country was liberated and I could
hitch a ride in a real army truck - back to my house.
Lodewijk van Til |