|
Ton van Vugt heeft dit verhaal
geschreven gedurende 2005 - 2006. Het verhaal is gebaseert op zijn
herinneringen en een paar flarden die Annie, zijn toen jong zusje, na al
die jaren nu nog bijliggen. Het verhaal is een gedeelte van de
ervaringen in 1940 - 1945. De
tijd periode die in het verhaal gebruikt wordt was gebaseerd op twee
ervaringen: (1) Ton of Annie kunnen zich niet herinneren dat het erg
koud was gedurende de tocht; en (2) ons verblijf in Hattem was voor ons
een indrukwekkende ervaring en daarom leek een heel lange tijd te zijn.
Dit bracht ons tot de
veronderstelling dat wij Rottedam verlaten moeten hebben in het najaar
van 1944 toen het weer nog goed was (het begon pas erg koud te worden in
december) en dat wij naar Rotterdam terug gekeerd zijn na de bevrijding
tegen het einde van mei of het begin junie 1945.
De tijd periode werdt een groot
vraagstuk toen wij de chronologie schreven voor
www.hongertocht.org. Ton kan
zich herinneren dat een groep Nederlandse mannen door de Duitser dood
geschoten werden vlak bij zijn huis in het begin van maart 1945. Dat
deed ons denken dat wij door Ma in bed gehouden werden zodat wij geen
energie zouden gebruiken. Dat betekend dat wij de hongerwinter in
Rotterdam overleefd hadden. Maar het betekende ook dat wij zeer verzwakt
moeten zijn geweest tegen de tijd dat wij onze hongertocht begonnen,
waarschijnlijk in het midden van maart 1945. Dat kan dan betekenen dat
wij pas tegen het einde van maart bij onze pleegouders in Hattem
onderdak kwamen. Wij hebben daar toen de bevrijding en de straat feesten
meegemaakt van het midden tot het einde van April 1945. En
waarschijnlijk vertrokken wij Hattem bij het einde van mei 1945 en
misschien kwamen wij in Rotterdam terug in junie 1945. Daarom zijn wij
misschien korter in Hattem geweest dan wij eigenlijk dachten.
Maar dat doet eigenlijk
niets af van de heldenmoed van de "hongertochters"; de hulp die verleent
is bij boeren langs de weg en, natuurlijk, de bevolking van Hattem die
veel gedaan heeft om de nooit eindigende stoet van vluchtelingen te
helpen.

Het einde van de weg voor velen na 1 Maart 1945
Photo:
Annie Soeters . 2007
|
Tony
van Vugt had written during 2005 - 2006, to the best of
recollections and snippets of memories from his then young sister -
Annie, the following story about the Hunger March as part of his story
covering the war years 1940 - 1945. The
timeframe of the story was very much influenced by two
considerations: (1) Neither Tony or Annie could recall being cold during
the long track; and (2) the stay in Hattem made an overwhelming
impression on both and appeared to have lasted for a very long time.
This led to the assumptions that we must have
left Rotterdam late in the fall of 1944, when the weather was still good
(it wasn't until December that the winter really set in) and that we
returned to Rotterdam shortly after the liberation, that is, in late-May
or early-June 1945.
That timeframe was brought into question
when preparing the Chronology for
www.hongertocht.org. Tony remembers the execution of a group of
Dutchmen close to his house in Rotterdam Zuid in early-March 1945.

Still remembered - Photo taken May, 2007
Photo: Lodewijk van Til
This
brought closer into focus the period that Ma confined us to our beds to
minimize energy use. That means that we survived the hunger winter in
Rotterdam. It would also mean that we would have been seriously weakened
by the time that we started our walk, probably, before mid-March 1945.
This might mean that we had arrived and placed with foster families in Hattem by the end of March, seen the liberation and the celebration in
mid- to late-April 1945 and and, possibly, left Hattem for a Harderwijk
by late-May 1945 to maybe return in Rotterdam in June, 1945. Therefore
our stay in Hattem might have been much shorter than initially thought.
However, it does not detract from the heroism
of the "hongertochters" or the support given by the farmers along the
road and the population in Hattem to the, apparently, never ending
stream of refugees. |
|
Tegen het einde van 1944 was er geen eten meer in de
grote steden. Ma, die voor mij een postzegelalbum had gekocht,
zei me om rustig in bed te blijven liggen en naar de postzegels
te kijken, zodat ik geen energie zou verbruiken met door het
huis te rennen. We verloren allen snel veel gewicht. Gezinnen
waar nog een vader was (en dat waren er niet veel) of een oudere
jongen kwamen er iets beter van af. Zij slopen ’s nachts het
huis uit om brandhout te stelen door een boom om te hakken,
liepen langs de spoorbanen om naar kolen te zoeken of gingen
naar de boerderijen in de buurt om aan aardappels te komen door
iets te ruilen. De “echte” ondernemers raapten sigarettenpeuken
van de straat om er “nieuwe” sigaretten van te maken, die dan
voor veel geld verkocht konden worden, of geruild worden voor
een snee brood. Omdat wij deze steun niet hadden, lag
uiteindelijk de hongerdood voor de deur. Wij hadden allang
geleden het grote blik roomboter geopend en opgegeten. Ons eten
bestond nu uit suikerbieten, waarvan suiker gemaakt kon worden
en de pulp kon worden gegeten, namaak ijs, wat geen
voedingswaarde had en af en toe een brood, of een handjevol
gedroogde bonen.
Ma
begreep waarschijnlijk
dat we het niet veel langer vol zouden houden. Ze pakte wat
kleren, de laatste gedroogde bonen en onze voedselbonnen en deed
ze in Annie’s kleine Poppen Wagen. Ze sloot het huis af en we
begonnen, waarschijnlijk in de herft van 1944, aan een lange
wandeling in de hoop dat we Roodeschool in het meest noordelijk deel
van Nederland zouden bereiken, waar ik al eerder bij de boeren
was geweest om van ondervoeding genezen te worden. Die boeren
hadden altijd nog wat voedsel verstopt.
Alleen moeders en kinderen
liepen langs de wegen omdat alle mannen, met uitzondering van de
hele oude, afgevoerd waren. Maar zelfs de oude mannen bleven uit
het zicht uit angst om opgepakt te worden. Het leven op de weg
was zwaar. Al na een paar kilometers zakte de veren van de
poppen wagen in elkaar. We trokken het over de grond en namen
het veerbootje over de NIeuwe Maas. Een oom die aan de andere
kant woonde heeft het gerepareerd. Duizenden hongerige mensen
zwierven langs de wegen, vaak in grote groepen. Eens smeekten we
of we in een stal mochten slapen, maar de boer zei dat het
zondag was en dat hij als Christen op die dag niet mocht werken
en dus niet het hooi uit kon spreiden voor ons om op te slapen.
Daarom sliepen we over het algemeen in schoolgebouwen. Vaak was
daar een gaarkeuken, maar het voedsel was over het algemeen niet
te eten. Ook liep je altijd het risico beroofd te worden als je
’s nachts sliep of wanneer je overdag over de wegen liep.
Toen
we ongeveer
halverwege naar onze bestemming waren werden we tegengehouden
door de Duitsers in Zwolle net na dat we de IJssel overgestoken
waren. We werden onder schot teruggedreven naar de zuidelijke
oever in de richting Hattem. Door hulp van een koster werd Annie
opgevangen door winkeliers. Ik kwam terecht bij naar wat later
heel vooraanstaande mensen bleken te zijn. Niemand zorgde voor
Ma en zij werd weer op pad gestuurd. Iemand gaf haar een oude
fiets zonder banden en ze begon terug te fietsen naar Rotterdam
in de hoop dat ze zichzelf in leven kon houden door gebruik te
maken van de voedselbonnen die ze meegenomen had. Nadat ze
vertrokken was hebben we voor een lange tijd niets van haar
gehoord. Communicatiesystemen werkten allang niet meer en maar
weinig mensen reisden grote afstanden.

Bridge over Ijssel River near Zwolle.
Naarmate de
oorlog voortduurde
en de geruchten groeiden, zoals altijd gebeurt in tijden van spanning,
leefde men in een andere werkelijkheid. Annie en ik hadden geen contact meer
met onze ouders en ooms, tantes en andere familieleden waren haast uit ons
geheugen gewist. Onze hongertocht en de ellende in Rotterdam waren bijna
vergeten.
Het leven was
goed in Hattem.
Er was genoeg te eten op het landgoed Flip Hul, waar ik woonde bij de Graaf
en Gravin van Limburg-Stirum. Daar waren volwassenen die veel schenen te
weten over wat er gaande was aan het oorlogs front. In het huis hadden ze
een grammofoon die je met de hand op moest draaien en ook grammofoonplaten
(waaronder Ketčlbey’s “In een kloostertuin”.) Deze mocht ik van hun gebruiken
in de landschapstuin. (Dit bracht heel recent en andere herinnering
terug. Ma liet een keer na de oorlog er uitslippen dat ze mij hadden willen
adopteren. Ze hadden geen kinderen en zijn niet veel jaren na de oorlog
overleden. Hun landgoed "IJsselvliedt" ging over naar het Rode Kruis.) Op de een of andere manier leerde ik de kinderen van
het nabijgelegen dorp kennen. Dit was geregeld door de familie van de
boswachter en de dienstbode. Ik was vrij om naar het dorp te wandelen en om
Annie te bezoeken in Hattem. Annie en ik wandelden samen door het stadje en
speelden bij een kanaaltje waar historische boerderijen en pakhuizen langs
stonden (water heeft mij altijd aangetrokken.) Als ik eraan terugdenk vind ik het verrassend dat ons zoveel
vrijheid werd gegund. Buiten de grote steden was het in feite tamelijk
veilig voor de kinderen om buiten te spelen. Er waren weinig Duitse soldaten
te zien.

Allied
parachutes landing near Arnhem
Op een zonnige
dag
speelden Annie en ik weer bij het kanaal. Het gerucht ging dat Amerikaanse,
Engelse en Canadese troepen oprukten naar Hattem. Dat was niets nieuws want
daar werd al meer dan 6 maanden over gesproken. De mensen wilden dit maar
wat graag geloven en kwamen soms naar buiten met vlaggen om de bevrijders te
verwelkomen, maar werden dan slechts beschoten door Duitse patrouilles.
Zover als ik me kan herinneren waren er weinig tekens dat Duitsland de
oorlog zou verliezen. Die dag was er wat opschudding onder de dorpelingen.
Er was een kleine groep mannen met geweren gezien die dwars door de akkers
bij het kanaal liepen. Het kon een Duitse patrouille zijn, of NSB’ers of
misschien vechters van de ondergrondse. De twijfel werd snel weggenomen. De
weinige Duitse bezetters, die op de uitkijk lagen op de bovenste verdieping
van een schuur, openden het mitrailleurvuur op de naderende mensen. De
patrouille ging in dekking en het vuren stopte. Het was ongeveer vijf
minuten stil, toen hoorden we de explosie van een granaat die de schuur
raakte waar de Duitsers in zaten. Mensen gilden en zochten dekking en
sommige begonnen met witte vlaggen te zwaaien. Dat werkte als een rode lap
op een stier. Het enige resultaat was dat er nog meer granaten in onze
richting kwamen.
Ik pakte
Annie’s hand
en toen het schieten stopte renden wij terug naar de winkel waar Annie
verbleef. (Annie herinnerd dat wij in een droge greppel wegkropen waren om veilig te zijn.)
Wij werden
berispt omdat we zo ver weg waren gegaan. Klaarblijkelijk was haar gastgezin
(familie de Regt) erg bezorgd. Ze hadden gehoord over de naderende troepen
aan de andere kant van de IJssel en dat het vuur was geopend als antwoord op
het Duitse vuren en van het zwaaien met vlaggen, waarvan men dacht dat het
Duitse soldaten waren.
De Duitsers
hadden
inderdaad de strijd opgegeven. Ze waren uit de schuur gekomen en hadden hun
handen opgestoken zodra de naderende patrouille in de buurt kwam. Hattem
werd spoedig overlopen met andere optrekkende Canadese troepen die uit het
niets leken te komen. Annie’s gastgezin zei mij direct terug te gaan naar
mijn eigen logeeradres. Ik werd een stuk begeleid totdat het landgoed in
het zicht was.
|
By
late-1944
the big cities had run out of food. Ma, who had bought me a
Postage Stamp Album, told me to just stay in bed and look at the
stamps so that I wouldn't use energy walking around the house.
We were all rapidly loosing weight. Families that still had a
father around or an older boy in the house (and there were not
many) were in a somewhat better position. At great risk these
sneaked out at night to steal firewood by chopping down a tree,
walking along the railway tracks in search of coal, or they went
to local farms to barter for potatoes. The real entrepreneurs
picked up cigarette buds from the streets to turn these into
"new" cigarettes that could then be sold for big money or
exchanged for a slice of bread. As we didn’t have such support,
eventually, starvation was at our door. We had long since opened
and eaten the butter in the large big tin. Our diet now
consisted of sugar beets from which sugar could be extracted and
the pulp eaten; imitation foamy ice cream that had no calorific
value; and an occasional loaf of bread or a handful of beans.

Starving Child in the Hunger Winter
1944 - 1945
Ma
probably realized
that we couldn't last much longer and she packed some clothes,
the remaining dried beans and our food coupons all in Annie’s
Dolls' Pram. We locked up the house and started (probably
sometime in late-1944) the long track in the hope that we could
reach Roodeschool where I had earlier stayed with the farmers.
They always had some food stashed away. Only mothers and
children tramped along the roads because all males, except the
very old ones, had by then been transported. Even the old men
stayed out of sight for fear of being picked up. Life on the
road was tough. After only a few kilometers the springs of the
little pram collapsed. We dragged it along, took the ferry
across the New Maas River, and Ma's eldest brother - Freek who
lived on the other side in Capelle aan de Ijsel repaired it for
us. Thousands of hungry people tramped the roads, often in large
groups. We once begged a farmer to be allowed to sleep in his
stables. He said that because it was a Sunday he could not have
us. As a Christian, he could not work on that day to spread out
hay for us to sleep on. We usually slept in school buildings
that were kept kept open for the stragglers. Sometimes there was
a central soup kitchen but the food was not always edible. Also,
there was the risk of being robbed when walking the roads during
the day or when sleeping at night.
When we
got about halfway
to our destination the Germans stopped us at Zwolle just after
we had crossed the Ijsel River. We were escorted back at gun
point towards Hattem on the southern shore of the river. Ma then
tried to have a farmer row us across the river at night.
However, when we had reached his house we were told that he had
been arrested the day before. Through help from a Church elder,
Annie was placed in foster care with shopkeepers in Hattem. I
finished up with what later turned out to be important people.
Nobody cared about Ma and she was sent on her way. She was given
by someone an old bicycle without tires and started to paddle
back to Rotterdam in the hope that somehow she could keep
herself alive by using our food coupons that she had retained.
After she had gone we didn't hear from her for a long time.
Communication systems had broken down long ago and few people
traveled the roads by then for any distance.
As
the war dragged on
and rumors grew, as they always do in times of stress, one lives in a
different reality. Annie and I had lost contacts with both parents. Aunts
and uncles and other relatives were almost erased from memory. The misery
that was Rotterdam and the Hunger March appeared far away.
City Gate
Life was good in
Hattem. There
was plenty of food at the estate where I lived
(Flip Hul) with the Duke and
Duchess of Limburg-Stirum. There was adult company that seemed to know a lot
about what was going at the war front. In the house they had a wind-up
gramophone player with records (among which Ketelby's "In a Monastery
Garden") that they let me use in the landscaped garden. I would
occasionally see my hosts watching me from behind the curtains. (That
recently brought back another memory. Ma let it slip out after the war that
they had offered to adopt me. They were childless and they didn't die all
that much later after the war had ended) Their estate, called IJsselvliedt, is said
to have gone to the Red Cross.) I
got to know the children in the nearby village. This had been arranged by
the groundkeeper's family
and the housekeeper. I was given a free hand to
walk to the village and also to visit Annie in Hattem. Annie and I would
walk together through the small town and play near a small canal that was
lined with historic houses and stores. Thinking back about it, it is
surprising that we were allowed so much freedom. In fact, away from
the big cities it was quite safe for children to play outside.
One sunny day
Annie and I played together again near the canal (water has always
attracted me). The rumor was that the US,
British and Canadian armies were already in Zwolle and advancing on Hattem.
That was nothing new because the "imminent" liberation had been talked about for more than 6 months. The people wanted
to believe it and sometimes they came out with flags to welcome the liberators
only to be shot at by German patrols. There were few outward signs, that we
as children could recognize, that the Germans were loosing the war. On that
day there was some commotion among the villagers. A small group of men with
guns were seen to be traversing the farm lands near the canal. It could be a
German patrol, some from the NSB on a rampage, or maybe some underground
fighters. The doubt was soon answered. The few remaining occupying German
troops kept an outlook from the top floor of a barn and immediately opened up
with machine fire on the approaching people. The patrol dove for cover and
all firing stopped. It was silent for five minutes or so and then we heard
the explosion of an artillery shell that hit the barn where the Germans were
based. People screamed and ran for cover and some started to wave white
flags. That was like waving a red flag at a bull and only resulted in more
shells being shot in our direction.
I took Annie by the
hand and when firing stopped
(she
remembers that we hid in a dry gulley)
we rushed back to
the house where she was staying. We were told off for having gone so far
away. Obviously, her hosts (Family de Regt) were very concerned. They had
heard that advancing troops on the other side of the IJssel River had opened
up fire, first to respond to German fire and then at the flag wavers who
were assumed to be German soldiers.
The Germans had indeed given up the
battle and had come out of the barn with hands stretched up as soon as the
advancing patrol came nearby. Hattem was soon overrun by other advancing
Canadian liberators, who appeared to come out of nowhere. Annie's hosts told
me to go immediately back to my own lodgings. I was escorted part of the
way back till the Flip Hul estate was in sight.
|